43.000 musea: wat moet erin?

Regelmatig verblijven er Nederlandse beeldende kunstenaars enkele maanden in China. Ze zijn daar op uitnodiging van Chinese instellingen of kregen een stipendium van het Mondriaanfonds. Wat zo’n residency oplevert valt niet te kwantificeren, maar het zijn geen snoepreisjes. Edwin Zwakman. Roderick Hietbrink. Zoro Feigl. Het werken in China was doorslaggevend voor deze jonge talenten, en daarmee voor de kwaliteit van de Nederlandse kunst.

De vraag is wat China voor belang heeft bij hun verblijf. Geen, lijkt het, althans nauwelijks in het Chinese museumcircuit. Dat herkent niet wat het met hen in huis heeft, laat staan dat het van hun talent profiteert. Maar dat zou in de nabije toekomst kunnen veranderen. Minister Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, PvdA) is met haar Chinese collega overeengekomen dat er Chinese museumstafleden worden klaargestoomd met hulp van Nederlandse expertise. Volgend jaar zullen Nederlandse docenten de eerste 25 Chinese museummanagers getraind hebben. Dat is een spat op een gloeiende plaat. In het kielzog van het economisch succes stijgt het aantal musea in China in een niet te bevatten tempo. Er zijn er nu 3.145. Dat aantal zal in 2050 naar verwachting zijn uitgegroeid tot 43.000. Wat komt daar in? Wie gaat daar naartoe?

Met goed opgeleide museummedewerkers ben je er nog lang niet. Een museum is meer dan een prestigeobject. Een gebouw, hoe spectaculair ook, is een huls. Een museum moet iets bieden, dat een publiek nieuwe inzichten geeft. Kunst dus. Maar de Chinese overheid is niet gewend om te gaan met de artistieke vrijheid die het opzetten van collecties en tentoonstellingen met zich mee brengt – zie hun problemen met artistiek vrijdenker Ai Weiwei.

Tot de Nederlands-Chinese afspraken over het delen van expertise hoort het voornemen om Nederlandse exposities in China te organiseren, volgend jaar te beginnen met een Van Gogh-tentoonstelling in Beijing of Shanghai. Dat opent perspectieven op een nieuw aan te boren miljoenenpubliek voor Nederlandse kunst, maar daar komt alleen iets van in een toekomstige, jarenlang te onderhouden verstandhouding. Want goede kunst is iets langzaams. Waardering moet groeien en een expositie is niet in een handomdraai georganiseerd. Tegenover de ingesleten Chinese huiver staat een Nederlandse traditie van onbeperkte vrijheid voor de kunstenaar. Die moet met de opleiding van de managers mee worden geëxporteerd anders gaat het mis. De minster vertrouwt op „een creatieve en open dialoog”. Daar moet ze niet op vertrouwen, daar dient actief op te worden ingezet. Anders heeft niemand iets aan deze uitwisseling. De Chinezen niet en wij ook niet.