Potente mannetjes met een missie

Door het exportverbod voor beschermde diersoorten kunnen dierentuinen geen olifanten meer in Azië kopen en nauwelijks nog in Afrika. Dus gaan olifantenbullen op reis. Een goeie dekbul is rustig en dominant. „Daarvan zijn er maar vier of vijf in Europa.”

Een hijskraan hielp vorige week donderdag een jonge olifant zijn verblijf in Amersfoort binnen. Aziatische olifant Maurice had twee etmalen gereden, in een speciale olifantendieplader vanuit Sevilla.

„Hij is rustig, hij eet alweer”, zegt bioloog Raymond van der Meer van Dierenpark Amersfoort. Komende maanden worden spannend. Want de nog jonge en onervaren Maurice heeft in Amersfoort een missie: de enige vruchtbare koe, Indra, dekken. Ze heeft al twee jongen van een andere bul, en ze is toe aan haar derde. Afgelopen weekend maakte Maurice al zijn eerste avances, al was tot nu toe de moeder van Indra de gelukkige.

Eindelijk gaat het goed met de Aziatische dierentuinolifanten. Was er dan een probleem? Ja. Omdat elke schattige olifantenbaby op het Jeugdjournaal komt, lijkt het alsof die dieren aan de lopende band kinderen krijgen. Maar dat is niet zo. De Afrikaanse olifanten in Europese dierentuinen (die ándere olifantensoort) zijn zelfs aan het uitsterven. In heel Europa werden er in 2013 maar vijf kalveren geboren. Tot ruim tien jaar geleden haalden dierentuinen geregeld verse aanwas uit Afrika, maar dat mag niet meer. De olifanten die over zijn, worden oud. Ze staan verspreid en de voortplanting gaat moeizaam.

„Als het zo doorgaat, zijn de Afrikaanse olifanten straks op.” Dat zegt Martin van Wees, bioloog in Diergaarde Blijdorp. Hij is coördinator van het fokprogramma van de Aziatische olifant. Die olifant wordt in Nederland van oudsher veel meer gehouden dan de Afrikaanse. „Wij zaten 25 jaar geleden met dezelfde problemen als nu met de Afrikaanse olifant.”

Sinds tien jaar gaat het vooruit. Dankzij een fokprogramma dat, twintig à dertig keer per jaar, ergens in Europa een olifant zoals Maurice op transport stelt. En dat eindelijk leert hoe Aziatische olifanten jongen krijgen, en hoe ze in leven blijven.

Tot enkele decennia geleden was het houden van olifanten in dierentuinen simpel. Elke dierentuin had er één of twee. Ze waren bezienswaardigheden, zoals ze dat eeuwenlang waren geweest voor aristocraten. Zoals de ‘Indische’ olifanten Hans en Parkie, die eind achttiende eeuw in de goedgevulde menagerie van Willem V woonden – en daarna door de Fransen werden geconfisqueerd voor de dierentuin in de Jardin des Plantes.

Wie een olifant wilde, of het nou een Afrikaanse of een Aziatische was, kocht er een. Veel Aziatische olifanten die nu nog in Nederlandse dierentuinen leven, komen uit Birma – geboren in een van de vele kampen voor werkolifanten.

Het werd lastig toen het CITES-verdrag in 1975 de export van de met uitsterven bedreigde Aziatische olifant grotendeels verbood. Begin jaren negentig zetten Europese dierentuinen gezamenlijke fokprogramma’s op, voor Afrikaanse en Aziatische olifanten.

Langzaam maar zeker begon dat programma te lopen – voor de Aziatische olifant althans.

Martin van Wees van Blijdorp is momenteel de coördinator. „Ik heb voor de komende tien jaar een lijstje waarop staat welke bul waar naartoe kan.” Dus toen Dierenpark Amersfoort een nieuwe olifant nodig had, belden ze hem.

Het Dierenpark miste een goede bul. Van de twee jongen die hun koe Indra nu heeft, is de Duitse bul Alexander de vader. „Een heel goede dekbul”, zegt bioloog Van der Meer van het dierenpark. „Rustig, dominant. Daarvan zijn er maar vier of vijf in Europa.” In 2011 ruilde het park hem in voor Chamundi, maar dat was geen succes. Hij dekte de vrouwtjes niet. Sindsdien stond hij in zijn eigen ren. „Indra komt nu weer in cyclus”, zegt Van der Meer. „En dan moet ze weer gedekt worden.” Koeien die te lang stilstaan, krijgen cysten in hun baarmoeder en worden onvruchtbaar.

Maar wie moest de vader worden? In Europese dierentuinen en circussen wonen samen zo’n 375 Aziatische olifanten. Dat is geen rijke genetische bron om uit te putten. Meer dan de helft van de dieren is niet beschikbaar voor de fok: een deel is in particulier eigendom, veel zijn te oud. Blijven er 67 bullen over, en zo’n 100 vrouwtjes op ‘fokrijpe leeftijd’.

De vrouwtjes blijven zoveel mogelijk in hun eigen familie. De bullen worden door Van Wees verspreid over Europa – hij maakt de roosters uit zijn hoofd. „Ik geef de dierentuinen drie tot vijf opties waaruit ze kunnen kiezen.”

Voor Amersfoort werd het, na wikken en wegen, Maurice. Hij is een kind van het moderne olifantensysteem. Geboren in een Franse dierentuin. Als puber gehuisvest in een moderne jongemannengroep in Spanje, zoals die in het wild ook bestaan. En nu uitgekozen op zijn genetische kwaliteit. Van Wees: „Zijn bloedlijn is nog nauwelijks vertegenwoordigd.”

Door het fokprogramma lijkt de Aziatische dierentuinolifant gered. En de Afrikaanse? De coördinator van die soort, zoöloog Harald Schwammer van de Weense dierentuin Schönbrunn, blijft positief. „We werken hard om het geboortetal omhoog te krijgen, voor een duurzamere populatie.”

Ook de Aziatische dierentuinolifant kent nog altijd moeilijkheden. Vooral herpesinfecties, die voor jonge olifanten dodelijk kunnen zijn. Maar toch: vorig jaar werden in Europa 16 jongen geboren, waarvan er 14 overleefden. Er worden nu in totaal meer dieren geboren dan er sterven. Van Wees: „Als alle beschikbare bullen zich voortplanten, is de genetische variatie ruimschoots gewaarborgd.”

Als het zo door gaat, zijn er over tien jaar zelfs meer jonge mannetjes dan de dierentuinen kwijt kunnen. Van Wees kijkt al met een half oog naar Azië. Daar zijn gebieden met een groot te kort aan wilde mannetjesolifanten, door stroperij. „Misschien kunnen we ze daar gaan uitzetten.”