Godvrezend, bewogen, uitgekleed

De erfenis was bedoeld voor Adelaida Schaepmans familie. De beheerder, aartsbisdom Utrecht, deed het anders.

De Stationsdwarsstraat in Utrecht, waar Adelaida Schaepman-Ehrhardt herenhuizen bezat, maakte in de jaren 70 plaats voor Hoog Catharijne; annonce vanboedelverkoop uit de nalatenschap; het aartsbisschoppelijk wapen. Foto’s R. Neeteson, Hollandse Hoogte

De geschiedenis laat zich niet herschrijven, zegt René Schaepman (66) in zijn woning in Zwolle-Zuid. Maar de manier waarop het aartsbisdom Utrecht met de laatste wil en de erfenis van zijn oudtante is omgegaan, veroorzaakt bij zijn familie „machteloze boosheid en verontwaardiging”.

Tonnen zijn verdwenen uit de nalatenschap, zegt hij. „Een nicht berekende dat het miljoenen moeten zijn. Hoe dan ook, dat er geld verdwenen is, en dat het aartsbisdom ten onrechte geld in eigen zak gestoken heeft, staat wel vast.”

Schaepman reageert op een bericht in deze krant over de omgang van het aartsbisdom met een andere nalatenschap, die van Cornelia Witkamp uit Utrecht. Zij bestemde in 1994 in een testament haar geld voor de Indiase zustercongregatie van Moeder Theresa. Het werd door het aartsbisdom Utrecht gebruikt om kantoorkosten te betalen voor de afhandeling van klachten van misbruikslachtoffers binnen de Kerk. Ook zouden er kerst- en sinterklaasgeschenken voor bisdombestuurders van zijn betaald. „Dat lijkt sterk op wat met het geld van mijn oudtante is gebeurd”, zegt Schaepman.

De geschiedenis begon bijna een eeuw geleden, toen Adelaida Ehrhardt overleed. Ze was getrouwd met Herman Schaepman (1830-1908). Een gefortuneerd rentenier en telg uit een voorname katholieke familie. Zijn broer was van 1868 tot 1882 aartsbisschop van Utrecht; zijn neef was priester-Kamerlid Herman Schaepman, de grote voorvechter van de katholieken (1844-1903).

Adelaida Schaepman-Ehrhardt was godvrezend en sociaal bewogen. In haar woonplaats Utrecht zat ze in 1915 in het katholiek liefdewerk als „penningmeesteres en presidente” van de St. Annavereeniging. Ze hielp ongehuwde moeders en verlaten vrouwen. Zelf was ze kinderloos toen ze, 63 jaar oud, na een langdurige ziekte in 1920 overleed. In haar testament gaf ze haar vermogen in beheer bij het aartsbisdom. Dat moest het in een stichting, het Schaepman-Ehrhardtfonds, onderbrengen. De beleggingsopbrengst diende ten goede komen aan de families Ehrhardt en Schaepman, ieder voor de helft, om „in eer en deugd door de wereld te komen”. Als er nog wat zou overblijven, dan kon het gebruikt worden om studiekosten van familieleden te betalen. Mocht er daarna nog wat over zijn, dan konden armlastige aspirant-priesters geholpen worden.

De oudtante liet een voor die tijd aanzienlijk vermogen na: 150.000 gulden aan contanten, effecten en sieraden, vier herenhuizen in Utrecht en een boerderij met landerijen in Nieuwegein. Omgerekend naar euro’s van nu een bezit van enkele miljoenen.

Tussen 1920 en 1960 is vermoedelijk helemaal niets naar de families gegaan, zegt Schaepman: „Voor zover wij weten is nooit uitbetaald. Het aartsbisdom heeft er geen administratie van. Wat ik wel heb teruggevonden, is dat er voor bijna 200.000 gulden aan goedkope leningen aan parochies is verstrekt.”

Nadat zijn moeder zich er in de jaren zestig mee ging bemoeien, ontvingen de families jaarlijks een uitkering. Toen de familie Ehrhardt echter geen erfgenamen meer had, incasseerde het aartsbisdom voortaan hun deel. Op die manier belandde zeker 112.000 euro in een „solidariteitsfonds” voor de opleiding van priesters. „Daar hebben wij als familie tegen gestreden, maar we kregen nooit een poot aan de grond. Dat is vijftig jaar zo gegaan”, zegt Schaepman, die vindt dat het geld terug moet naar de familie.

Dan was er nog een partij vastgoed die in de jaren veertig en vijftig voor veel te lage bedragen is verkocht. Schaepman: „Je zou denken dat het geld in goede handen is bij het aartsbisdom. Dat was dus niet zo. Van enig beheer van het vermogen was de laatste jaren geen sprake. Het geld dat nog over is, 100.000 euro, stond op een spaarrekening.”

Schaepman nam de strijd van zijn inmiddels overleden moeder enkele jaren geleden op. Hij wilde dat de familie zeggenschap over de stichting kreeg. „Het aartsbisdom wilde daartoe wel de statuten wijzigen, maar alleen onder de voorwaarde dat het decharge zou krijgen voor het gevoerde beleid. De familie was het daar niet mee eens, maar we gingen akkoord. Het was de enige mogelijkheid om het resterende geld terug te krijgen.”

Na de overname van de stichting stuurde het aartsbisdom Schaepman een rekening van 15.000 euro voor (beheer)kosten. Schaepman: „Die hebben we dus niet betaald. Van beheer was de laatste jaren geen sprake geweest. Bij het bisdom bleek zelfs niemand meer bevoegd om namens de stichting bankzaken te regelen. Later zag ik voor het eerst de inventarislijst van het testament. Op de lijst stonden huizen en landerijen, effecten van spoorwegen in Afrika, Rusland, Mexico, Brazilië, Amerika en Turkije, staatsobligaties van Nederland, het Duitse Rijk en Roemenië, aandelen in cementfabrieken, pandbrieven en obligaties van The Underground, Electric Railways Company of London.”

Inboedel, sieraden, kunst, banktegoeden en beleggingen – waar dat geld gebleven is, weet niemand, zegt Schaepman. „Je zou verwachten dat de Kerk zorgvuldiger omgaat met de laatste wil van een gelovige. Het voelt niet goed dat dit zomaar kan en dat de Kerk zich niet verantwoordt voor wat ze met de bezittingen van een ander heeft gedaan.”

Namens het aartsbisdom zegt econoom Hans Zuijdwijk voor het eerst te horen van de klacht van de familie. „In de gesprekken die ik met hen had, is mij dit niet verteld. Nu hoor ik pas wat in de decennia voor mij gebeurd is. Ik heb juist meegewerkt aan het verzoek van de familie. Het aartsbisdom was beheerder en voerde de administratie van vermogens van meer ‘derden’ en ik wilde verlost zijn van schimmige constructies uit het verleden. Het was evident dat het geld voor hen bestemd was. We hadden afgesproken dat de stichting de kosten zou betalen. Of we dat alsnog gaan vorderen, weet ik niet.”