De strontkar en de beerput

De mascotte van Vitesse is een arend. Foto Pics United

Zaterdag reed ik met persvoorlichter Ester Bal van Vitesse naar Groningen voor de wedstrijd tegen de plaatselijke FC (3-1 voor FC Groningen). De begroeting was kenmerkend.

„Ruik ik raar?”

„Nee, hoezo?”

„Omdat ik van de zenuwen drop en chips door elkaar heb lopen eten.”

Een dag eerder was uitgelekt dat de club haar ging ontslaan, een voldongen feit waar ze niet veel over mocht zeggen. Gelukkig had ik Ester niet nodig om te vertellen wat er gebeurd was, ik had het met eigen ogen gezien. Want je laat het sympathiekste personage uit je oeuvre natuurlijk niet uitgummen door een corrector als algemeen directeur Joost de Wit.

Ester Bal kon niet langer voldoen aan de wensen van haar bazen. Met de komst van de directeuren Joost de Wit, Mo Allach en Peter Gansler werd de opdracht tot liegen structureel.

‘Storytelling’ noemde Peter Gansler dat. Als er iets niet klopte diende de persvrouw een verhaal te verzinnen, ook als er geen goed verhaal te verzinnen was, zoals bij de rel rondom de Israëlische speler Dan Mori die vanwege zijn afkomst in de winterstop niet mee mocht op trainingskamp naar de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). De directeuren stopten hun persvoorlichter zonder achtergrondinformatie in een vliegtuig en verwezen de pers, toen de zaak uit de hand liep, naar de VAE waar de nietsvermoedende Ester Bal in een fuik van cameraploegen liep. Ze verdedigde het imago van haar club met verve, maar terug in Arnhem vond commercieel directeur Gansler, die zelf onbereikbaar was geweest, dat ze de zaak „niet professioneel” had afgehandeld.

De Amerikaan had haar al eerder proberen te lozen. Hij vond de kosten van de door haar georganiseerde herdenkingsdienst voor het vorig jaar overleden clubicoon Theo Bos te hoog. Het ontslag ging toen niet door omdat de tijdelijke zetbaas Merab Jordania daar persoonlijk een stokje voor stak.

De wedstrijd tegen FC Groningen ondergingen we vloekend en steunend vanwege het slechte spel van de Arnhemse formatie. In de rust wandelde ik naar de perskamer van stadion Euroborg, waar algemeen directeur Joost de Wit me bij de arm greep.

„Ik ben er wel!” zei hij. Waarvan akte. „Ik lees op Twitter dat ik er niet ben, maar ik ben er wel.”

Ik informeerde of hij ook had gelezen dat hij zijn persvoorlichter had ontslagen. „Als je ziet dat iemand er aan onderdoor gaat moet je ingrijpen.” Het waren bijzondere woorden uit de mond van iemand die zelf onder de druk dreigde te bezwijken. Daar stond hij, de handen tot vuisten gebald, het zweet op het voorhoofd. „Ik krijg zeker de strontkar over me heen gekieperd?”

Tijdens het gesprek kwam langzaam het besef hoeveel de ontslagen persvrouw uit de publiciteit had weten te houden en dat hij eigenhandig het deksel van de beerput had verwijderd.

Hij bleef maar herhalen hoe keurig de regeling was die hij zou treffen met Miss Vitesse, want zo noemde hij haar ook. Mocht gerust worden opgeschreven. „En wij gaan volgende week een pot koffie drinken.”

Het dieptepunt kwam met het verzoek de club niet verder te beschadigen. „Dat zou Ester niet gewild hebben.”

Het laatste clubicoon ontslaan en daarna een beroep doen op de clubliefde van journalisten, hier sprak een man in de war.

Omdat er nog geen opvolger was moest Ester Bal haar eigen grafrede componeren, de tekst werd door de directie telkens afgekeurd. In het uiteindelijke compromis herkenden we de zalvende hand van de algemeen directeur. „Ester is een vat vol betrokkenheid bij Vitesse. Ze heeft veel voor de club betekend en hier zijn wij haar dankbaar voor.”

De moegestreden Ester Bal verzette de bakens naar de toekomst, naar ongetwijfeld rustiger vaarwater. „Ik zou niet weten wat je de komende weken nog over mij zou kunnen schrijven. Ja, dat ik de halve dag met een poetslap achter mijn katten aanloop omdat ze alles onder pissen.”

Het riep een beeld op dat aan haar jaren bij Vitesse deed denken, waar ze onvermoeibaar met een duizenddingendoekje de knoeiboel van anderen wegpoetste. Zelf zou ze zo’n vergelijking nooit maken. Uit clubliefde, een woord dat de directeuren van Vitesse graag in de mond nemen. Maar een ‘geel-swert hert’ is niet te koop, dat heb je of je hebt het niet.