De koning had er meer van verwacht

De Nederlandsche Bank is vandaag 200 jaar geleden opgericht door Willem I

Vandaag precies 200 jaar geleden werd De Nederlandsche Bank opgericht door koning Willem I. Hij dacht die bank te kunnen gebruiken om zijn grootse plannen met Nederland te financieren, zoals de aanleg van het Noordhollands kanaal en de Nederlandse Handel-Maatschappij. „Maar de koning kwam bedrogen uit”, zegt promovendus Roland Uittenbogaard. De bewindvoerders van de Nederlandsche Bank (DNB) beschouwde het als hun taak de financiële sector meer crisisbestendig te maken, en niet de plannen van de koning te financieren. „De bank stelde zich direct onafhankelijk op van de koning”, zegt Uittenbogaard.

De economisch historicus verdedigt vandaag zijn proefschrift over de geschiedenis van Nederlands centrale bank, exact 200 jaar na het koninklijk besluit van oprichting. „De datum ligt al tweeënhalf jaar vast”, zegt Uittenboogaard. „Het onderzoek richt zich op de oprichting van De Nederlandsche Bank – 25 maart is dan de perfecte dag om mijn proefschrift te verdedigen.”

De beginjaren van DNB waren moeizaam, zegt Uittenboogaard. DNB was de circulatiebank van Nederland en mocht als enige bank bankbiljetten uitgeven, maar die werden maar moeizaam geaccepteerd. Een goed werkend betalingsverkeer is essentieel voor een goedwerkende economie. Al in de achttiende eeuw hadden zich problemen met schaarste van geld geopenbaard. Deze problemen motiveerden minister Gogel van Financiën in de Franse tijd (1795-1813) een plan te ontwikkelen voor een nationale circulatiebank. Maar de politiek was te sterk verdeeld.

Met de komst van Willem I en de oprichting van de eenheidsstaat was oprichting van De Nederlandsche Bank wel mogelijk. Om het project voor de koning interessant te maken, paste hij wel het oorspronkelijke voorstel van Gogel aan. Deze aanpassingen verraadden de doelstelling van de koning om van DNB gebruik te maken als financieringsvehikel voor de overheidsuitgaven.

In 1813 was Napoleon verslagen, Nederland was weer vrij, maar de economie stond er slecht voor. „Om de economie te stimuleren stond Willem I een bank voor ogen die door kredietverlening de economie weer op de been zou helpen en die door de uitgifte van bankbiljetten voor een uniform betaalmiddel zou zorgen”, zegt Uittenbogaard.

In Nederland werd sinds de veertiende eeuw de gulden als betaalmiddel gebruikt. Vanaf 1694 was de gulden zelfs de belangrijkste – maar niet de enige – munt in omloop. De republiek bestond uit zeven provincies en men slaagde er niet in om tot één munt te komen. De Fransen lukte dat wel en Willem I ging daarmee door. Maar de centrale bank moest eerst het vertrouwen van het publiek in haar bankbiljetten winnen. Niemand was gedwongen om de bankbiljetten van de centrale bank te accepteren en Amsterdam kassiers, die het betalingsverkeer verzorgden, boden op dat moment nog een alternatief.

In 1840 kreeg De Nederlandse Bank toestemming om ook leningen aan particuliere klanten te verstrekken. De bank werd een concurrent van de kassiers en omdat ze met lagere tarieven kon werken won DNB deze concurrentieslag. Uittenbogaard: „Met de abdicatie van Koning Willem I in 1840 werd een volgende belemmering voor de acceptatie van bankbiljetten weggenomen. Pogingen om een nieuwe, liberale grondwet in te voeren, bevorderden het vertrouwen in de overheid en in het verlengde daarvan in DNB.”

De terughoudendheid van DNB bij het financieren van de plannen van koning Willem I was rationeel, legt Uittenbogaard uit in zijn proefschrift. Eerst moest vertrouwen van het publiek worden gewonnen.

„De overheid heeft een belangrijke verantwoordelijkheid voor financiële stabiliteit en de centrale bank geeft daar uitvoering aan”, zegt Uittenbogaard, op dit moment beleidsadviseur op het ministerie van Financiën.

Na de val van Lehman Brothers en de kredietcrisis was het vertrouwen van het publiek in het bankwezen weg. „Het is een goede zaak dat we sinds de kredietcrisis van 2008 een belangrijke heroriëntatie zien in de regulering van de financiële sector en de rol van de centrale bank”, zegt Uittenbogaard.

Met de invoering van de euro in 1999 was het monetaire beleid niet langer een nationale aangelegenheid, maar een zaak van alle Eurolanden. Het monetair beleid wordt nu door de Europese Centrale Bank in Frankfurt bepaald. In de woorden van de huidige bankpresident Klaas Knot: DND is „in feite de Nederlandse vestiging van de Europese multinational ECB”.

De beleidsmakers in Frankfurt gaan, zo vindt Uittenbogaard, zorgvuldig om met de erfenis van koning Willem I. „Ook in Frankfurt geven ze niet toe aan de wensen van de huidige koningen, presidenten en premiers. Voor een centrale bank is onafhankelijkheid cruciaal.”

    • Cees Banning