Column

Zet je zorgen opzij in het donkere noorden

De Franse economie groeit weer, de Chinese groei zakt verder in. Dat blijkt in ieder geval uit de zogenoemde purchasing managers indices (PMI’s) van vanmorgen over beide landen. De PMI’s staan nog niet zo heel erg lang in de schijnwerpers. In de Verenigde Staten werd kort na de oorlog ontdekt dat inkoopmanagers van bedrijven een goede vooruitziende blik hadden. Maar het zou tot in de jaren negentig duren voordat wat nu PMI heet echt door zou breken. In de rest van de wereld zijn ze nog recenter: het financiële informatiebedrijf Markit (dat binnenkort naar de beurs wil) stelt ze op.

PMI’s zijn populair omdat ze goede voorspellers zijn van de conjunctuur. Maar er zijn ook nog altijd cijfers over het producentenvertrouwen, die sinds jaar en dag hetzelfde doen. In internationaal verband worden die bijgehouden door de OESO, de club van rijke industrielanden, en door Eurostat, vaak gevoed door nationale statistische bureaus.

Morgen komt het Centraal Bureau voor de Statistiek met het producentenvertrouwen over de maand maart. Het heeft er alle schijn van dat het vertrouwen in Nederland, na een klein dipje in februari, verder opveert. En dat zou in de hele Europese Unie wel eens het geval kunnen zijn.

Toch zijn er grote verschillen in het vertrouwen binnen Europa. Eurostat ‘normaliseert’ de cijfers die het uit de verschillende landen krijgt, maar geeft ook de ruwe langjarige gemiddelden van alle landen en sectoren sinds 1990. Die bieden instructieve informatie. Het gemiddelde producentenvertrouwen in de EU was in de bouwsector bijvoorbeeld -19,5.

Dat betekent dat structureel méér ondernemers in deze sector negatief waren over hun vooruitzichten dan positief. De industrie was structureel iets minder pessimistisch, maar in de afgelopen kwart eeuw nog steeds overwegend negatief: -7,2. Daarna komt de detailhandel met -6,6. De dienstverlening was juist gemiddeld positief, met een score van 8,5. En de financiële dienstverlening zag de toekomst gemiddeld het meest zonnig in: een score van 12,7.

Zie hier de economische geschiedenis van Europa van de afgelopen kwart eeuw in een notedop. Dienstverleners, en dan vooral banken en verzekeraars, zagen de toekomst altijd met vertrouwen tegemoet. Retailers en industriëlen leden onder een gebrek aan zelfvertrouwen en de bouwsector zat onder in de put.

Een eerder onderzoek op deze plek, twee jaar geleden, wees uit dat het gemiddelde consumentenvertrouwen nationaal sterk verschilt. Scandinavische consumenten zijn standaard veel optimistischer dan de rest. De Angelsaksische landen en Nederland zien de toekomst ook rooskleurig tegemoet. Duitse consumenten zijn al wat grimmiger en in de zuidelijke landen is de grondhouding standaard pessimistisch.

Dat patroon herhaalt zich in grote lijnen bij het producentenvertrouwen. De optimisten onder de ondernemers zijn veel sterker vertegenwoordigd in het noorden dan in het zuiden van Europa.

Waar dat aan ligt? Er zijn culturele scheidslijnen tussen het zuiden en het noorden, verschillen in staatsinrichting en in de smaak en traditie van het christelijk geloof – het moderne kapitalisme is van oorsprong protestants. De gemiddelde vertrouwensscore van producenten in de verschillende Europese landen sinds 1990 spoort zelfs aardig met de corruptie-index van Transparency International.

Hoe noordelijker hoe positiever dus? Het lijkt er wel op, zowel zowel consumenten als voor ondernemers. En dat geeft een heel andere kijk op het stereotype van de zwaarmoedige Scandinaviër versus de onbekommerde bewoner van het Middellandse Zeegebied.