Wordt wel weer tijd dat Kampong de titel pakt

De grootste hockeyclub van de wereld, Kampong, meldt zich 29 jaar na de laatste landstitel weer in de nationale top.

Kampong-aanvoerder Quirijn Caspers (links) in de aanval tegen Tilburg. Foto Merlin Daleman

Een brede grijns verschijnt op het gezicht van Robbert Kemperman. „Bovenaan”, roept hij, een paar minuten nadat hij met zijn club Kampong het arme Tilburg met 5-1 van het kunstgras heeft gespeeld. Op doelsaldo, oké. Maar toch: lijstaanvoerder in de hoofdklasse. Nooit eerder meegemaakt – niet door Kemperman, de jonge sterspeler van Kampong en het Nederlands elftal.

Vooral het voormalige strafcornerkanon Paul Litjens (66), nog wekelijks langs de lijn bij Kampong, mag het de jonge generatie graag inwrijven, zegt Kemperman. „Litjens legt er lekker een beetje druk op. ‘Het wordt ook wel weer eens tijd dat jullie die titel pakken’, roept ie dan. ‘Vroeger deden we dat gewoon.’ Heerlijk, die teksten.”

Bijna dertig jaar staat Kampong, met 2.993 leden de grootste hockeyvereniging van de wereld, al droog. Kemperman, van 1990, was nog niet eens geboren toen de roemrijke Utrechtse club voor het laatst de landstitel won, in 1985. „Je merkt dat het leeft. Vorige week tegen Oranje Zwart stonden hier drieduizend man. Schitterend.”

Ze zijn er nog lang niet: Kampong is sinds gisteren wel verzekerd van een plek in de play-offs, samen met Oranje Zwart. Maar het verleden begint te drukken op de ploeg met grote talenten als Kemperman en Sander de Wijn. Ooit werden ze samen kampioen – met de D1 van Union, in Nijmegen. „Spelers van de buitencategorie”, zegt oud-international Tom van ’t Hek over hen.

Kampong zit nog steeds in zijn bloed, zegt Van ’t Hek, de laatste jaren vooral bekend als radiopresentator. „Natuurlijk vind ik het hartstikke leuk dat ze zich weer een beetje bovenin melden.”

Van ’t Hek behoorde in 1985 tot de laatste kampioensploeg van Kampong, onder coach Hans Jorritsma. René Klaassen was een belangrijk pion in het team, net als Rick Volkers, de huidige teammanager van heren 1. En een piepjonge Jacques Brinkman, de latere recordinternational, was nadrukkelijk in aantocht.

Kampong had destijds lijdzaam, tot vervelens toe, toegezien hoe het grote Klein Zwitserland van de gebroeders Kruize niet minder dan acht seizoenen op rij (1977-1984) landskampioen was geworden. „Natuurlijk was dat op Kampong een frustratie”, zegt Van ’t Hek.

Want vóór de KZ-jaren was de Utrechtse club de baas geweest in de Nederlandse hockeywereld, met Paul Litjens en André Bolhuis, de huidige voorzitter van NOC*NSF. „Wij werden vaak tweede of derde, maar soms op wel zestien punten achterstand van Klein Zwitserland”, zegt Van ’t Hek.

Het was wel hockey uit andere tijden. „Een volslagen amateursport”, zegt Van ’t Hek. „Er werd niet betaald, wij betaalden nog gewoon onze eigen contributie. Je had iets van een reiskostenvergoeding, en er werd wat gerommeld met sticks en schoenen. We trainden driemaal per week. We deden er veel voor, maar we lieten er wat minder voor.”

Maar de opleving van Kampong was van korte duur. In 1986 won de club nog de Europa Cup, maar daarna zette het verval in, en de macht verschoof van de Utrechtse Laan van Maarschalkerweerd naar ’t Kopje van Bloemendaal. „Kampong heeft een heel grote naam, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de club maar één keer de Europa Cup 1 heeft gewonnen", zegt Van ’t Hek. „De club kwam een beetje tussen tafellaken en servet in. Er moest ook worden gekozen of spelers betaald werden. Kampong had altijd een heel goede jeugdopleiding, maar het meeste talent vertrok. Er was een tijd dat half Bloemendaal van Kampong afkomstig was.”

Het was jarenlang het lot van de Utrechters, die spelers als Thomas Boerma, Jaap Stockmann, Nick Meijer, Ebi Kessing zagen vertrekken naar de club die jaarlijks om de titel streed en toptalenten lokte met wereldsterren als Teun de Nooijer en Jamie Dwyer.

Drie jaar geleden ging het roer om bij Kampong. „De hele club is erachter gaan staan”, zegt teammanager Rick Volkers. „Tophockey is niet alleen een kwestie van spelers betalen. Je moet ze wat te bieden hebben. Ze willen ambitie, ze willen met de beste hockeyers spelen. Wij begeleiden spelers bij hun studie, ze lopen stage bij sponsors.”

Nadat oud-international Laurence Docherty, de geboren Schot, overkwam van Bloemendaal was de trend gezet. Ook een absolute wereldtopper als Kemperman, die twee jaar geleden de clubs voor het uitzoeken had, koos bewust voor Kampong. „Ik kon overal naartoe, maar Kampong was een leuke, ambitieuze club die veel uitstraalt. Ik kwam samen met Roderick Weusthof naar Kampong – met het idee om kampioen te worden. Hockeyers willen nu bij Kampong spelen. De club heeft een bepaalde status opgebouwd.”

Of, zoals teammanager Volkers het uitdrukt: „Kampong is hot.” Dat bleek afgelopen weekeinde nog eens, toen bekend werd dat de Belgische international Loïck Luypaert volgend seizoen te bewonderen zal zijn in Utrecht.

Dat, en een blik op de ranglijst, bewijst dat het beleid werkt, al is een plaats in de play-offs nog geen garantie voor de eerste landstitel in drie decennia. Kemperman denkt dat de club klaar is voor de laatste sprong. In de kleedkamer mag worden gesproken over de titel. „Er zijn veel topploegen in de hoofdklasse”, zegt hij. „Maar wij voelen ons ook sterk. We hebben een jonge ploeg, met een goede keeper, een goede corner, we maken veel goals. Of het kan gebeuren? Natuurlijk.”

Voor oudere leden, onder wie Litjens, zal het eens tijd worden. „ Er komen steeds meer mensen kijken”, zegt strafcornerspecialist en oud-international Weusthof. „Je voelt dat de mensen hunkeren naar succes. Ik denk dat we dit jaar ook echt een goede kans hebben. We doen het goed tegen de topploegen. Ik denk dat we een kampioenswaardige ploeg hebben.”