Jong kind gelooft niet makkelijk in iets dat het niet zelf kan zien

Jonge kinderen geloven niet iets wat tegen hun intuïtie in gaat. Geloof – of wetenschap – moet goed worden uitgelegd.

Olieverfschilderij van Rembrandt van Rijn: Hemelvaart (1636).

Kinderen nemen niet zomaar alles aan wat je ze vertelt. Ze zijn kritisch. Ze corrigeren giechelig, of zelfs bozig, hun ouders als die iets zeggen wat duidelijk niet waar is. En als kinderen iets horen wat volgens hen totaal niet strookt met hoe de wereld in elkaar zit – bijvoorbeeld ‘er zijn vissen die kunnen vliegen’ – dan verwerpen ze dat.

Maar hoe komen ze er dan ooit toe iets te gaan geloven wat tegen de alledaagse intuïtie ingaat? Dat er een alwetende God bestaat, of dat we nog voortleven na de dood? Daarvan hebben twee Harvard-psychologen op basis van de psychologische literatuur een analyse gemaakt (Perspectives on Psychological Science, maart).

Ja, God en het hiernamaals zijn echt tegenintuïtief voor jonge kinderen, laten de psychologen om te beginnen zien. Pas als kinderen ouder worden, zeggen ze vaker dat ze denken dat er nog iets van de geest of van de psychologie van mensen overblijft na hun dood – mits dat in de omgeving van die kinderen algemeen gedacht wordt.

En uit ander onderzoek is gebleken dat (Amerikaanse) 4-jarigen die gezien hebben dat er knikkers in een kleurpotlodendoos zitten, nog denken dat God dat niet weet – ze denken dat God denkt dat er gewoon kleurpotloden inzitten. Kinderen van een jaar ouder zeggen wel dat God weet wat er precies in die doos zit. Het vergt dus een cognitieve ontwikkeling om het concept alwetendheid te kunnen bevatten. Ook voor volwassenen is dat nog moeilijk, schrijven de psychologen. Veel volwassen christenen zeggen nog te geloven dat God menselijke gebeden één voor één opmerkt en afhandelt, in plaats van er al van te weten.

En hoe leren kinderen dan in God of het hiernamaals te geloven? Nou, het is misschien tegenintuïtief, grappen de psychologen, maar dat leren ze op dezelfde manier als tegenintuïtieve wetenschappelijke ideeën. Dat de aarde rond is, of dat de ene diersoort door evolutie uit de andere is ontstaan, strookt allebei ook niet met de alledaagse ervaring; daarvoor speelt het zich in een te grote ruimte af of op te lange tijdschalen. Maar geleidelijk leren kinderen dat het waar is. Daarvoor hoeven ze het niet eens helemaal te gaan snappen, aldus de psychologen. Ook volwassenen onderschrijven nog allerlei ideeën die ze niet volledig begrijpen. De evolutietheorie bijvoorbeeld, schrijven de psychologen.

Wel invloed heeft het als kinderen opgroeien in een omgeving waar de tegenintuïtieve ideeën worden aangehangen. Kinderen uit religieuze gezinnen begrijpen het idee van alwetendheid bijvoorbeeld óók eerder als het op een fictieve ‘mister Smart’ wordt geplakt, nog vóór ze het spontaan op God toepassen. En kinderen uit streng christelijke gezinnen geloven minder vaak dat de mens uit eerdere diersoorten is ontstaan dan leeftijdgenootjes uit niet streng christelijke gezinnen.

Draken en ‘surnits’

Ook de directe context doet ertoe: meer 4-jarigen geloven in (niet-bestaande) surnits als ze gehoord hebben dat wetenschappers die verzamelen dan als verteld is dat draken die verzamelen.

Verder beseffen kinderen voor hun zesde vaak al wie van de mensen in hun omgeving in het verleden met goede informatie is gekomen, wie intelligent is en wie ergens niets van kan weten. Maar zelfs als tegenintuïtieve informatie komt van iemand van wie een kind normaal wel iets wil aannemen, moet die er nog duidelijk bij zeggen dat het inderdaad raar is, anders is het kind minder geneigd het te geloven. En het moet logische informatie zijn, die veel verklaart. God en het hiernamaals hebben bovendien troostende waarde, wat ook kan maken dat kinderen er makkelijker in geloven.

Dingen die niet helemaal lijken te kloppen, schrijven de psychologen, trekken trouwens sowieso enorm de aandacht. Superhelden, goochelaars, tijdreismachines... Mensen zijn altijd op zoek naar verklaringen.

    • Ellen de Bruin