Een franquist die Spanje de democratie teruggaf

Adolfo Suárez (1932 -2014)

Spanje is in rouw gedompeld na het overlijden van Adolfo Suárez. Hij was de eerste, toen nog ongekozen, premier na de dood van dictator Franco.

Ongedateerd portret van Suárez Foto AFP

Met de dood van Adolfo Suárez verliezen de Spanjaarden, in de woorden van de staatsomroep RTVE, „de architect van het huis waarin we nu allemaal wonen”. De eerste democratisch gekozen premier na dictator Franco overleed gisteren op 81-jarige leeftijd in een Madrileense kliniek.

Suárez kwam in juli 1976 in eerste instantie ongekozen aan de macht, ruim een half jaar na de dood van Franco. Koning Juan Carlos benoemde de toen 43-jarige carrièrepoliticus als leider van een regering met de opdracht van het land weer een parlementaire democratie te maken.

Suárez slaagde hierin wonderwel. Hij wist ingrijpende politieke hervormingen door het oude franquistische parlement te loodsen. Hij legaliseerde de communistische partij in ruil voor haar erkenning van de monarchie. En na het aannemen van de nieuwe grondwet, kozen de Spanjaarden hem in 1979 tot hun eerste democratische premier.

Juan Carlos koos hem, omdat hij besefte dat alleen iemand van binnen het regime de dictatuur kon opdoeken. Súarez had als topambtenaar en binnen de falangistische beweging bewezen zeer handig te kunnen opereren tussen de verschillende facties. Hij kende de krochten van de macht.

In hoge functies bij de staatsomroep had hij het vertrouwen van toen nog prins Juan Carlos gewonnen. In de nadagen van het regime maakten de twee toekomstplannen voor het land. „Suárez was geen ideoloog, maar had wel een enorme ambitie en wist mensen voor zich te winnen”, aldus journalist Abel Hernández in zijn boekje Suárez y el Rey.

Als gekozen premier was Suárez minder gelukkig. Het land was er economisch slecht aan toe. De Baskische separatisten van ETA en andere groepen pleegden aan de lopende band aanslagen. Bedrijfsleven, vakbonden, de Kerk, het leger, de rechtspraak, oppositie, zijn eigen UDC: iedereen keerde zich van hem af.

Gedurende 1980 groeide het draagvlak voor een nationale eenheidsregering, met een generaal aan het hoofd, die orde op zaken zou stellen. De berichten over een op handen zijnde militaire coup namen toe. „Ontgoocheling was in die dagen het sleutelwoord”, schreef Javier Cercas in zijn veelgeprezen boek Anatomía de un instante, over de staatsgreep van 23 februari 1981.

Deze vond plaats toen Suárez reeds was opgestapt. Tijdens de zitting waarbij hij de macht zou overdragen, stormde kolonel Tejero van de Guardia Civil het parlement binnen. Toen die zijn vuurwapen in het plafond leegschoot, was Suárez – met de communistenleider en de vicepremier – de enige die niet onder zijn stoel dook. De putsch mislukte: de jonge democratie overleefde.

Na vergeefse comebackpogingen verliet Suárez in 1991 de politiek. Rond de eeuwwisseling kwam er langzaamaan meer waardering voor zijn rol. Terwijl de Spaanse politiek steeds meer polariseerde, werden zijn pragmatisme en verzoeningsgeest herontdekt.

Getroffen door Alzheimer heeft Suárez dit zelf niet meer bewust meegemaakt. Toen de koning hem in 2008 thuis een hoge ridderorde uitreikte, schoot zijn zoon een foto die veel Spanjaarden ontroerde. Op de rug gezien lopen de twee hoofdrolspelers van de Transitie gebroederlijk door de tuin.

Adolfo jr. bracht hierbij in herinnering dat Adolfo sr. zijn hervormingen destijds verdedigde met het argument „dat in de politiek normaal moet worden, wat op straat allang normaal is”. „Mijn vader was altijd bezeten van het overbruggen van de kloof tussen de twee Spanjes.” Niet zozeer tussen links en rechts Spanje, maar tussen het statische ‘officiële Spanje’ van de politieke klasse en het ‘vitale Spanje’ van de burgers. Nu te midden van crisis, corruptie en institutionele afbladdering de roep om een Transitie 2.0 aanzwelt, lijkt die opdracht nog steeds actueel.

    • Merijn de Waal