De recensie, vroeger monoloog, is een dialoog geworden

O jee, theatermakers praten terug! De recensie, jarenlang een monoloog van de ‘meneer van de krant’ die onderwees wat goede en slechte kunst was, is opeens een dialoog geworden. Soms in de vorm van een fel debat, zoals tussen recensent Ron Rijghard en regisseur Johan Simons in deze krant. Vaak ook als polyfonie, waarbij op facebook en twitter iedereen, collega-maker, toeschouwer, concurrerende criticus, zijn mening uit over andermans mening.

Cultuurjournalist Botte Jellema schreef recent in een blog dat ‘de recensenten’ daarom ‘een probleem’ hebben. Hij zei niet waarom precies, maar zag wel dat critici het ‘nog nooit’ zó met elkaar oneens zijn geweest, en uitte de wanhoopskreet: wat moet het publiek daar nou mee? Ik heb het niet nagezocht, maar dat critici het meer dan ooit oneens zijn, lijkt mij flauwekul. En een goed geïnformeerd, ontwikkeld publiek weet heus wel raad met tegengestelde meningen. Jellema lijkt te denken dat lezers uitsluitend op voorspraak van de krant een voorstelling bezoeken, en kennelijk ook alleen als alle kranten het eens zijn over de kwaliteit. Vleiend, maar naïef. De mening van de recensent is er tegenwoordig één in een koor van meningen, in kranten, op websites en blogs, op radio en tv, op twitter en facebook. Wie een voorstelling wil bezoeken gaat uit van zijn eigen smaak en kiest daar gewoon de mening van zijn gading bij. Godzijdank! Wat een verademing dat de kunstkritiek inmiddels meer is dan het smaakdictaat van een paar oudere heren. Hoe meer mensen erover meepraten, hoe minder de kunst een gesloten bastion wordt, waar alleen een paar ingewijden welkom zijn. En dat is noodzakelijk.

Je kunt je natuurlijk afvragen wat dan nog de rol is van de recensent. Die blijft intermediair tussen zijn lezers en de kunst. Hij of zij verdiept zich in een discipline, en informeert zijn lezer over wat hij persoonlijk al dan niet van waarde acht. Wat zijn mening uittilt boven een willekeurige tweet of facebookpost is dat hij zich meestal jaren in die discipline verdiept, zich voor een recensie zorgvuldig voorbereidt en informeert en zijn mening daarom op zijn minst goed gefundeerd is. Bovendien onderbouwt hij die mening idealiter overtuigend. En hij schrijft dat alles als het goed is zo aantrekkelijk en meeslepend op dat hij lezers voor zijn zaak, en dus de kunst, wint.

Maar een recensie blijft ‘maar’ een mening, en dat is altijd zo geweest – hoezeer die oude mannen ook beweerden dat het anders was. Meningen mag je betwisten, graag zelfs. Kunstenaars noch critici zijn onfeilbaar en het is goed dat daar eindelijk een gesprek over mogelijk is.

Al hebben de critici natuurlijk gelijk.