‘De Krim’ overschaduwt agenda van de nucleaire veiligheidstop

De G7 overlegt over de Krim in het Catshuis, Rusland wordt erbuiten gehouden. Even ís Nederland het wereldtoneel.

Nederland speelt dezer dagen niet een hoofdrol op het wereldtoneel, Nederland ís even het wereldtoneel. Den Haag is vandaag en morgen een trefpunt van presidenten en premiers, net nu met de Russische annexatie van de Krim een grote internationale crisis is uitgebroken.

Die crisis overschaduwt de agenda van de nucleaire veiligheidstop, waarvoor al die staatshoofden en regeringsleiders eigenlijk naar Nederland zijn gekomen. De spanning over de situatie in Oekraïne geeft de top ook een extra lading. In de coulissen zal het dan gaan over de vraag wat de recente gebeurtenissen betekenen voor de verhoudingen in Europa, voor de positie van Rusland en voor de internationale machtsbalans. Den Haag biedt de meeste wereldleiders gelegenheid daarover direct met elkaar van gedachten te wisselen.

En terwijl op het grote podium het gedetailleerde script voor de nucleaire conferentie wordt afgewerkt, vindt op een zijtoneel de ingelaste hoofdscène plaats: de bijeenkomst van de G7 vanmiddag in het Catshuis.

De nucleaire top bood Obama een uitgelezen kans om heel snel de groep van zeven grote industrielanden bijeen te roepen (behalve de VS Canada, Japan, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Italië). Alleen al het feit dat het geen G8 is, dat wil zeggen: dat Rusland er buiten wordt gehouden, is bedoeld om Moskou politiek te treffen. Rusland zou, als voorzitter van de G8, in juni gastheer zijn van een G8-top in Sotsji. Of die doorgaat is nu hoogst twijfelachtig.

Als de leiders van de G7 het straks in het Catshuis eens worden over een veroordeling van Rusland, mogelijk met sancties, is dat een nieuwe diplomatieke uithaal naar president Poetin. Het zal de aandacht van de wereld nog sterker op Nederland vestigen. Maar of het kabinet blij moet zijn als een terechtwijzing van Moskou door de G7 de geschiedenis in gaat als ‘de verklaring van Den Haag’, is maar de vraag.

    • Juurd Eijsvoogel