Zonder PowerPoint

Soms verlang ik terug naar de tijd dat PowerPoint nog niet bestond. Je zag toen folklore die nu verdwenen is. Zoals sprekers die met oververhitte voorhoofden boven de overheadprojector hingen en waarbij dan zweetdruppels op de sheets vielen. Soms leidde dat ertoe dat hun met stift geschreven tekst spontaan begon op te lossen en er amorfe vormen achterbleven op de sheet. Dat gaf een artistieke draai aan lezingen.

Sheets waren trouwens iets voor armlastige geleerden. Onderzoekers die beter in de slappe was zaten gebruikten dia’s. Die hadden zo hun eigen problemen. Regelmatig zaten ze verkeerd om in de carrousel zodat er totale verwarring uitbrak over wat links, rechts, onder en boven was. Of ze kwamen vast te zitten in de projector en de rest van de lezing ging op aan het loswrikken van dia’s.

Sommige sprekers wisten hoe ze zulke tegenslagen retorisch konden uitbuiten. Vele keren luisterde ik naar een Londense zenuwarts die de baas was van een opname-afdeling, dicht bij een groot metrostation. Heel het rariteitenkabinet spoelde bij hem aan. Zoals zwervers die in de waan verkeerden dat ze al dood waren. Of die zeker wisten dat ze Kennedy hadden vermoord. Of die zich helemaal niets meer van hun leven konden herinneren. Hij had ze allemaal op video gezet. Maar de videosystemen waren in de loop van de jaren veranderd. Als hij een lezing gaf, ging deze dokter dus op pad met drie soorten videorecorders - elk met hun eigen afstandsbediening - én een diaprojector. Het liep altijd fout: op beslissende momenten drukte hij op de verkeerde afstandsbediening zodat de dia die een samenvatting van het ziektebeeld moest geven niet spoorde met het videofragment. Slechte lezing? Nee, integendeel. De met veel zelfspot becommentarieerde chaos paste wonderwel bij de gederangeerde patiënten die we te zien kregen.

Maar tegenwoordig hebben we PowerPoint. Een paar jaar geleden was de schatting dat er op elke willekeurige dag wereldwijd zo’n 30 miljoen presentaties met PowerPoint te zien zijn. In sommige organisaties heeft het groteske vormen aangenomen. Zo klagen Amerikaanse officieren erover dat ze dagelijks minimaal een uur bezig zijn met het in elkaar draaien van presentaties om hun bazen te debriefen. Het levert vlijtige plaatjes op. Een veelzeggend voorbeeld is te vinden op de webpagina van de New York Times onder de kop ‘We have met the enemy and he is PowerPoint.’ Het gaat om een figuur die de militaire strategie in Afghanistan probeert samen te vatten. Er staan een dikke honderd tekstkoppen in. Lettertypes veranderen voortdurend. De meest uiteenlopende kleuren worden er gebruikt. De teksten zijn met elkaar verbonden via dikke en iets minder dikke pijlen. Het is, kortom, een figuur die het begrip van de kijker danig op de proef stelt.

Had de maker van de figuur maar het artikel van de psycholoog Stephen Kosslyn en zijn collega’s in het tijdschrift Frontiers (juli 2012) gelezen. Uit de omvangrijke literatuur over de menselijke waarneming destilleerden deze auteurs een aantal basisregels waaraan een PowerPoint-presentatie moet voldoen, wil er sprake zijn van succesvolle kennisoverdracht. Om een paar regels te noemen: het publiek kan per slide maximaal vier conceptuele eenheden aan en onder elke eenheid mogen hooguit weer vier andere begrippen zijn genesteld. Veranderingen in lettertype moeten iets betekenen, anders zijn ze ruis. En: rode kleuren wekken de indruk van nabijheid en zijn dus ongeschikt om er afstand mee aan te duiden. En ook: als je wilt dat kijkers het onderscheid zien tussen vette en magere pijlen, dan moet het verschil in dikte minimaal 2:1 zijn.

Kosslyn en collega’s verzamelden een groot aantal willekeurig gekozen PowerPoint-presentaties en legden ze langs de meetlat van hun basisregels. Geen enkele presentatie bleek foutloos. Gemiddeld werden er per presentatie zo’n zes regels overtreden. Het maakte daarbij niet uit of presentaties uit het onderwijs of het bedrijfsleven kwamen.

In vervolgonderzoek toonden de psychologen aan dat mensen meestal prima kunnen zeggen welke PowerPoint-slides goed en welke slecht zijn, ofschoon ze moeite hebben om de redenen daarvoor onder woorden te brengen. Dat verklaart waarom we kritisch zijn over andermans presentaties, en er zelf ook een zootje van kunnen maken.

Het artikel van Kosslyn en collega’s is zeker handig. Ondertussen laat het de grootste fout onbesproken: wel PowerPoint, maar geen verhaal hebben. De beste lezing die ik de afgelopen tijd hoorde was die van de Deense journalist Bo Lidegaard. Hij sprak over zijn boek Countrymen, waarin hij uitlegt waarom de joden in zijn land aan de Holocaust wisten te ontsnappen. Zijn opmerkelijke analyse is gebaseerd op een ingewikkelde parade van chronologie, demografie, wetten en anekdotes. Daar stond Lidegaard in een overvolle collegezaal. Niet achter, maar voor het spreekgestoelte. Hij sprak zacht, in een eenvoudig Engels en met een Scandinavisch accent. We luisterden met open mond. Want de man nam een uur de tijd om een verbijsterend helder verhaal uit de doeken te doen. Zonder PowerPoint. Het kan nog steeds.