Opinie

    • Caroline de Gruyter

Wetten kunnen het morele gat niet vullen

Waarom scherpen wij gedragscodes voor europarlementariërs steeds verder aan? Waarom leggen we vast hoeveel bonus een Londense bankier krijgt, en zijn er zelfs voorschriften voor verwarmingsapparaten op caféterrassen? Waarom hangen er bij een Amsterdamse speelplaats gedragsregels, zoals ‘afval gooien we in de prullenbak’?

Vraag Roger de Weck, een van Zwitserlands meest gerespecteerde denkers, waarom wij zo druk zijn met grenzen stellen aan alles en iedereen – Europees en nationaal – en je krijgt een tegenvraag. „Waarom had Korea in de negentiende eeuw geen wetten?” Het antwoord, vertelt hij, is dat maatschappelijke en sociale conventies in Korea destijds zo sterk waren dat er geen wetten nodig waren. Óns probleem is het omgekeerde: we hebben weinig conventies meer en hebben steeds meer wetten nodig om de boel in het gareel te houden. „De maatschappij weet weinig limieten meer te stellen.”

De ironie is volgens De Weck, oud-hoofdredacteur van Die Zeit en nu chef van de Zwitserse publieke omroep, dat wetten maken weinig zin heeft. Iedereen wil ze meteen veranderen: de een vindt ze te slap, de ander te streng. Wetten weerspiegelen niet de heersende moraal maar gevoelens of belangen van de groep die ze erdoor gedrukt heeft.

Wat al die regelzucht aantoont, is dat Europa in een morele crisis zit. We hebben geen vertrouwen meer in elkaar, de elite, de staat, bedrijven of ideologie. De elite heeft geen voorbeeldfunctie meer: ze jaagt teveel eigenbelang na. De staat is door geldgebrek en overprivatisering de regie kwijt: treinen zijn laat, ziekenhuizen shabby. In de economie is het evenwicht tussen kapitaal en arbeid, tussen lange en korte termijn zoek. „Winner takes all, is de mentaliteit”, zegt De Weck. „Dit is de échte oorzaak voor de crisis. Niemand vertrouwt nog iemand. Vandaar de neiging om anderen met wetten in te dammen.”

Wie het hardst pusht, krijgt de wetten die hij wil. „Het is weer tijd voor rouwdouwers”, constateert hij. „De Europese geschiedenis toont een slingerbeweging. Eens in de twintig, dertig jaar was er oorlog. De bevolking werd gedecimeerd. Als de rest te uitgeput was om te vechten, kwam er vrede. Dan werd er weer geluisterd naar mensen die compromissen en diplomatieke oplossingen bepleitten. Daarna kwamen de Hitzköpfe weer.”

Je kunt De Weck zwartgallig vinden, maar hij heeft een punt: overal staan mensen op die radicale oplossingen en confrontatie willen. Le Pen, Wilders, de Tea Party. Sentiment, niet ratio, wordt maatstaf voor alles. Deze crisis, concludeert hij, bestrijd je alleen met een cultuurverandering.

Deze cyclus duurde langer dan twintig, dertig jaar. Na de oorlog waren de christen-democraten dominant. Zij bepleitten fatsoen, naastenliefde, solidariteit. Toen kwam de Koude Oorlog. Uit angst voor de communisten zorgden Europese regeringen voor evenwicht tussen rijk en arm. Zo kregen wij welvaartsstaten. Na de perestrojka groeide de maatschappelijke ongelijkheid weer. Overmoed en roekeloosheid kregen opnieuw ruimte. In een tijd van anything goes, en zonder sterke maatschappelijke conventies, schoot dat door.

De Europese Unie werd opgetrokken toen solidariteit vanzelfsprekend was. Europeanen met diverse belangen sloten in Brussel compromissen. Jarenlang werkte dat. Nu krijgen velen genoeg van solidariteit en compromissen. Noord staat tegenover zuid. Debiteuren tegenover crediteuren. Overleeft de EU dit? Nu wordt De Weck ineens vrolijker. Het morele fundament dat nu afwezig is, zegt hij, was er destijds wel en zit stevig verankerd zit in Europese instituties. „Die blaas je niet zomaar om, zoals veel wetjes van nu.”

Het zou fijn zijn als hij gelijk had. Anders moeten we dat fundament over een poosje opnieuw uitvinden.

    • Caroline de Gruyter