‘Rouw is groot. Een zompige periode’

Mylou Frencken

(47) is cabaretière, zangeres en tekstschrijfster. Ze is weduwe van theaterman Bert Klunder.

Foto Maurice Boyer

Drempel

„Ik begin aan de voorstelling RouwRevue met gemengde gevoelens. Bert overleed acht jaar geleden, ik had wel klaar willen zijn met het weduwschap. Ik schreef columns over hem, daarna een boek. Ook in mijn voorstellingen ging het vaak over de dood. Juist door met zijn dood bezig te zijn, kon ik de balans vinden tussen zwaarte en lichtvoetigheid. Vorig jaar kreeg ik een prachtige brief van een moeder die haar baby heeft verloren. Ze wilde graag een voorstelling zien over verlies. Niet wéér, dacht ik. Maar later: waarom ook niet. Het is wat ik doe, dingen opengooien. Maar ik voel ook weerzin.”

Gemis

„Toen Bert overleed stond de tijd stil, ik had geen idee hoe ik verder moest. Voor zover ik iets voelde was het onmacht. Ik had vooral erg te doen met mijn dochter, met Berts moeder, met Bert zelf. Pas langzaam sijpelde mijn gevoel binnen. Dat hoofd dat nooit meer om de hoek van de keuken zou komen om me te laten schrikken. Niemand die me ooit nog zal zien zoals hij me zag. Wij zagen elkaars wezen. Toen ik me dat realiseerde, voelde ik me ontzettend eenzaam. En soms nog. Toch was ik ook opgelucht, bevrijd, want onze relatie was best moeilijk.”

Oorsprong

„Ik was al jong gefascineerd door liedjes, door de schoonheid van klanken. Een muziekjuf op de Montessorischool schreef liedjes, toen werd het tastbaar, dat kan ik dus ook. Eenmaal op pianoles ging ik zelf schrijven. Ik vind het de fijnste kunstvorm die er is, om zielenroerselen te uiten, vage gevoelens om te zetten in iets concreets. Een mooi lied is een wereld op zich. Volgens mijn moeder was ik als kind van nature heel aanwezig. In mijn jeugd ben ik kleiner geworden, bij iedere hobbel iets kleiner. Daarna ben ik alles op alles gaan zetten om weer zichtbaar te zijn.”

Noodzaak

„Na twee voorstellingen samen met Bert heb ik een tijd geprobeerd niet op het podium te staan. Ik voelde me verloren naast die sterke man, kwam niet over hem heen. Ik schreef voor anderen. Maar dat was het niet. Heel leuk als Angela Groothuizen een lied van mij zingt, maar ik wil zelf dat doorgeefluik zijn. Voor mij is het dagelijkse leven geploeter. Boodschappen, belastingen. Al mijn energie hoopt zich op en komt eruit op het podium. Als het spelen goed gaat kan alles gebeuren, schrik ik nergens van. Dan voel ik me goed door al die ogen die op me gericht zijn.”

Verlangen

„Ik ken mijn kracht. Ik weet dat ik door zacht te praten ver kan reiken, dat het ontwapenend werkt wat ik doe, omdat ik persoonlijk durf te zijn. Nabij. Toch blijf ik het moeilijk vinden om ongegeneerd aandacht te vragen, uit te spreken dat iedereen naar mijn liedjes moet luisteren. Maar ik vind het wel. Mijn grootste angst is dat ik over veertig jaar dood ben en niemand mijn liedjes kent. Het is mijn stille hoop dat een van de nummers waar ik trots op ben, ‘Wegwaaien’ of ‘Mannen met de griep’, bekend wordt onder het grote publiek. Desnoods als begrafenisnummer.”

Loyaliteit

„Ik ben al zestien jaar bardame bij de televisiequiz Met het mes op tafel. Dat zegt iets over mijn trouw. Ik moet soms stukken zingen die echt niet bij me passen of ik kom helemaal niet aan bod, daar baal ik weleens vreselijk van. Na een solovoorstelling hoor ik regelmatig: ‘Goh, ik wist niet dat je echt kon zingen.’ Maar het is mooi om bij een clubje te horen. Ik hecht me aan mensen, aan Joost Prinsen, aan pianist Martin van Dijk. Het is een authentiek programma. En het is werk. We zitten tegenwoordig bij omroep MAX, dus ik kan er rustig oud worden.”

Opluchting

„Binnenkort spelen Pieter Tiddens en ik de try-outs. Er zijn teksten en liedjes, samen moet dat een voorstelling worden. Spannend, want pas met publiek erbij weten we of iets werkt. We willen met RouwRevue ook langs uitvaartcentra en andere locaties. Ik hoop dat we opluchting brengen, omdat er veel besproken wordt. Rouw is groot. Een zompige periode, waarin het leven zwart ziet. Maar ploeter er doorheen, het brengt ook veel. Dat wil ik meegeven. Misschien komt er ooit een ander onderwerp dan de dood, maar nu nog even niet.”