Column

Masturbatiemythen

Psychologie Ellen de Bruin

Lange tijd bestond het idee: masturberen is slecht. Maar hoe kun je iets veroordelen waar niemand last van heeft?

Wat is er eigenlijk mis met masturberen? Wie zou je er kwaad mee kunnen doen?

Die vraag komt op door een wetenschappelijk artikel, sinds deze week online bij Journal of Experimental Psychology: General (17 maart). Daarin noemen Amerikaanse psychologen enkele masturbatiemythen uit nogal uiteenlopende invloedrijke werken: de Koran en een eind-negentiende-eeuws boek met gezondheidstips van John Harvey Kellogg (1852-1943), uitvinder van de cornflakes. Van masturberen, staat daarin, kun je bijvoorbeeld kaal of blind worden, of verlamd raken. En het is een gevaar voor de mensheid.

Als je zoiets net hebt gelezen, ontdek je daarna natuurlijk al snel dat er een heel Wiki-lemma History of masturbation bestaat met nog veel meer bijwerkingen die de masturberende man én vrouw sinds de achttiende eeuw zijn aangepraat. Maag- en darmproblemen, algehele zwakte, pukkels, epilepsie, tot zelfmoord toe. Kellogg had het liefst bij jongetjes de voorhuid dichtgenaaid en bij meisjes de clitoris afgebrand om hen daartegen te behoeden. Zelfs Kant en Rousseau waren tegen onanie.

Ik wist niet dat het zó erg was, al had ik weleens gehoord dat het volgens sommigen bij te gretig rukkende mannen in hun rug kan schieten. Al raar genoeg natuurlijk. Waarom zou je mensen dat soort onzin aanpraten, iemand die zijn/haar eigen kleverige troep opruimt doet verder toch niemand kwaad? En daarover ging precies dat nieuwe artikel van die Amerikanen: harmless wrongs, dingen die mensen verkeerd vinden zonder dat iemand er last van heeft.

Masturbatie was voor hen maar een voorbeeld, want dat wordt niet algemeen genoeg meer verkeerd gevonden (al zijn we nog niet terug bij de zeventiende-eeuwse gewoonte van kindermeisjes om jongetjes in slaap te masturberen). De psychologen hadden hun best gedaan verhaaltjes te bedenken met heel erge dingen die strikt rationeel gezien toch niemand kwaad deden. Dan lieten ze de hoofdpersoon in zo’n verhaaltje niet gewoon masturberen, nee, hij deed dat bij een foto van zijn overleden zus. En in andere verhaaltjes smeerde iemand bijvoorbeeld poep aan een Bijbel of keek iemand naar filmpjes van neukende dieren om opgewonden te raken.

Fout? Ja, vonden de mensen die die verhaaltjes te lezen kregen. En doe je er iemand kwaad mee? Ja, zeiden die mensen ook, vooral als ze geen tijd kregen om er goed over na te denken. Mensen die die tijd wel kregen, noemden vooral slachtoffers die je strikt logisch niet écht als slachtoffers kunt beschouwen: de ‘geest’ van de overleden zus, andere gelovigen (die die Bijbel nooit te zien kregen), God, de bekeken dieren.

Volgens de onderzoekers is het psychologisch nu eenmaal heel moeilijk te bevatten dat iemand iets verkeerd doet zónder dat er een slachtoffer is. Dus als er geen duidelijk slachtoffer is, bedenken mensen het er automatisch bij. De psychologen vergelijken het met een visuele illusie waarbij je, ook als je weet dat iets er niet is, het tóch ziet.

Zo is volgens hen ooit het idee ontstaan dat masturberen slecht is voor wie het doet, of voor de mensheid: als je als samenleving verzint dat iets fout is, moet er ook een slachtoffer zijn. De ironie is natuurlijk dat je daarna meteen de echte slachtoffers kunt aanwijzen: iedereen die ooit geloofd heeft dat masturberen ziel of lichaam ernstig schaadt.