‘Kijk, daar hebben ze een moslim verbrand’

Correspondent Koert Lindijer keert terug naar het dorp Zèré, waar hij in november zag hoe de christenen werden aangevallen en gedood door islamitische bendes. Nu zijn de rollen omgedraaid.

Christelijke milities van Anti Balaka-beweging zuiveren het land van moslims. Hier poseren vrouwen van die groepering met hun machetes. Foto Fred Dufour/AFPs

In het gruis van de vernielde moskee van Zèré, in het midden van de Centraal-Afrikaanse Republiek, doen kinderen biddende moslims na. Ze steken hun konten in de lucht en roepen onder hoongelach: „Allah donder op.” Ouderen schreeuwen: „Nooit willen we ze hier meer zien.”

Een van diepe haat vervulde kreet klinkt in alle uithoeken van het land. Christelijke jongeren met kapmessen zuiveren het land van moslims. Meer dan duizend moskeeën en Koranscholen zijn in puin geslagen, meer dan honderd imams vermoord. Het handjevol moslims dat nog niet is gevlucht zit in de val, opgesloten in enclaves bewaakt door buitenlandse vredessoldaten. De rollen zijn omgedraaid in de Centraal-Afrikaanse Republiek. Verborgen in het hart van Afrika verkeert het land ter grootte van Frankrijk in nog grotere chaos dan enkele maanden geleden. De terreur van de ene groep is vervangen door die van de andere.

Het land is bevrijd van de moordende, plunderende strijders van de Séléka, een coalitie van islamitische rebellenbendes die sinds maart vorig jaar de scepter zwaaide in de hoofdstad Bangui. Ze werden in december verdreven door duizenden met machetes, speren en jachtgeweren bewapende jongeren van de christelijke milities van de Anti Balaka, een losse alliantie van zelfverdedigingsgroepen in rurale gebieden.

Tot voor kort maakte de moslimbevolking zo’n 15 procent uit van de vijf miljoen Centraal-Afrikanen. Nu zijn ze vrijwel allen gevlucht. De strijders van Séléka zijn inmiddels begonnen zich te herorganiseren in het noorden. Van daaruit hervatten ze hun aanvallen op christelijke dorpen. In januari werd een nieuwe interim-president gekozen, Catherine Samba-Panza. Maar haar aantreden, noch de komst van tweeduizend Fransen en zesduizend Afrikaanse vredessoldaten heeft het geweld tot stilstand gebracht.

Na de wraakacties van Séléka

Toen ik Zèré in november bezocht was de moskee nog het enige niet vernietigde gebouw. Het stadje was verlaten. Na wraakacties van de Séléka-strijders waren alle bewoners gevlucht. Nu zijn de christelijke inwoners terug, maar hun drie kerken, de school, de kliniek en alle woningen zijn zwart geblakerd. De meeste dorpelingen slapen buiten. „Hoe kunnen we ons leven weer opbouwen, we hebben niets meer”, klaagt het dorpshoofd Faustin Doré. „De moslims stalen zelfs mijn ambtsketen.”

Op het zandpad van Zèré naar Bossangoa wagen zich weer vrouwen met brandhout op het hoofd, een enkel brommertje tuft voorbij. Kinderen plonzen in de beekjes onder de hoge mangobomen. Mannen bakken bouwstenen of zoeken naar riet voor daken, dat spaarzaam is omdat de Séléka alles hebben platgebrand.

De paar overgebleven moslims van Bossangoa schuilen in l’École de Liberté. Ooit woonden er tienduizend moslims in de stad. „Als ik 100 meter buiten de school kom, ben ik dood”, zegt Ismail Nafi, de imam van Bossangoa. De oude man toont een filmpje op zijn mobiele telefoon waarop jubelende christenen een moslim in brand steken. „De christelijke Anti Balaka-strijders hebben honderden leden van mijn stam gedood en ze slachtten al onze koeien”, zegt een man.

Allen willen onder bescherming van buitenlandse vredessoldaten vertrekken naar het noorden van het land, vlak bij de grens met Tsjaad, om zich te voegen bij de tienduizenden islamitische ontheemden die daar aan de grens bivakkeren.

Moslims zaten vooral in de handel en het goederenvervoer. Hun belangrijke rol in de economie riep afgunst op. Hun grootste probleem nu is echter dat in de ogen van de christenen Séléka en moslims hetzelfde gingen betekenen. Hoewel alle religieuze leiders tot verzoening hebben opgeroepen, kreeg de haat zo religieuze dimensies. „Ja, misschien associeerden wij ons met Séléka”, zegt imam Ismail Nafi voorzichtig. „Maar de christenen staan gelijk met de Anti Balaka. Wat is het verschil tussen het geweld van de ene en de andere groep?”

Nicolas Poiraud heeft zojuist met de belegerde imam van Bossangoa gesproken. De Franse academicus doet onderzoek onder de verdreven moslims in het noorden van de Centraal-Afrikaanse Republiek en in het zuiden van Tsjaad. „Er bestaat nu een rechtvaardiging voor een jihad, want de Anti Balaka-strijders plegen met hun aanvallen op moskeeën heiligschennis tegen de Koran”, zegt hij. De Afghaanse Taliban sprak onlangs steun uit voor de verdrukte geloofsgenoten in Centraal-Afrikaanse Republiek. „Moslims van de CAR zijn gematigd, maar met de radicale Boko Haram in Nigeria niet ver weg groeit de kans op een internationale jihad.”

Roofinstincten

De krijgers van Anti Balaka zijn arme analfabeten van het platteland. Sommigen opereren autonoom, anderen worden door politici opgejut. Rond Bossongoa is er een soort van orde onder hen. Oudere mannen weten de roofinstincten van de jongeren enigszins in toom te houden. Bij wegversperringen proberen ze geld af te persen, maar na een gift van een paar sigaretten laten ze auto’s meestal door. Dichter bij de hoofdstad Bangui wordt de sfeer harder en agressiever. Hier heerst chaos.

Tientallen wild schreeuwende jongeren met bloeddoorlopen ogen torsen golfplatendaken, stoelen en kasten van een ontmantelde moskee op hun hoofden. Vlakbij houdt een colonne Franse soldaten stil, maar treedt niet op. Alleen vredessoldaten uit Rwanda, dat in 1994 in een gelijksoortige wanorde wegzakte, traden de afgelopen weken hard op tegen plunderingen. Bij een barricade eisen jongeren geld, veel geld. „Wij hebben jullie bevrijd van de Séléka, nu moeten jullie ons compenseren”, roepen ze en zwaaien met hun messen. Ze ruiken naar drank. „Kijk, daar hebben ze een moslim verbrand”, wijst mijn chauffeur naar een hoopje verkoolde resten.

Bij de toegang van de stad blokkeren Franse tanks de weg. Ze beschermen in de wijk PK 12 een kleine enclave van huizen met tweeduizend moslims. Ibrahim Allawad stelt zich voor als hun leider. „We sloegen al vele aanvallen van de Anti Balaka af”, vertelt hij, „maar veel langer kunnen we het niet meer volhouden. Laat Al-Qaeda komen om ons te beschermen”. Waarna hij met dreigende stem zegt: „Wacht maar, we nemen straks wraak. Dan vernietigen we evenveel kerken als de moskeeën die de christenen nu vernielen.”

Chaos, overal chaos. In de stad trekken dieven spullen uit onze auto en wandelen kalm weg. Niemand treedt op tegen criminaliteit. Er is geen politie meer, alle gevangenissen zijn leeg. President Samba-Panza gaat naar de kerk, beschermd door Afrikaanse vredessoldaten, want een eigen leger heeft ze niet. Ambtenaren kregen vijf maanden geen salaris, scholen en de universiteit gingen dicht.

Luciën Yaliki probeert in Bangui het hoofd koel te houden. Hij zit in het interim parlement. „We moeten aan verzoening werken, al was het alleen maar omdat we de moslims nodig hebben voor de handel. Zij betaalden een groot deel van de belastingen.”

Eerste uitdaging is volgens hem om tenminste de schijn van een staatsgezag te vestigen. „Machthebbers hebben zich nooit om de bevolking bekommerd. Ze waren louter geïnteresseerd in de goud- en diamantmijnen. Sinds de onafhankelijkheid in 1960 kwamen ze vrijwel altijd door staatsgrepen aan de macht. Daar moet verandering in komen. We hebben een nieuw politieke klasse nodig. De arme en ongeletterde onderklasse neemt nu wraak.”

Kin op het dashboard

De volgende dag belt Sebastian Wehezoui, een leider van de Anti Balaka in Bangui. „We hebben een moslimterrorist gevangengenomen. Kom kijken, we willen je tonen dat de moslims een heilige oorlog tegen de CAR voeren”, meldt hij over de telefoon.

Onderweg klinkt plots een machinegeweer. Kogels doen het stof opwaaien. Omstanders schieten gebukt weg, anderen gaan plat op de grond. Mijn chauffeur kent het klappen van de zweep: hij remt af, hangt zijn kin net boven het dashboard, gaat in zijn achteruit en neemt met een korte bocht door de berm de weg terug. Dit is voor hem bijna routine geworden. De Anti Balaka probeerde een groepje ontwapende Séléka-soldaten aan te vallen. Vredessoldaten die hen beschermden schoten terug: zeven doden.

We rijden verder naar onze ontmoetingsplaats. Over modderpaadjes bereiken we de commandopost van de Anti Balaka-leider Sebastian Wehezoui. Hij voert over de telefoon een hevige tirade en zwaait wild met zijn handen. Hij had ons een islamitische strijder van de heilige oorlog willen laten zien. Maar helaas, zijn mannen hebben hem zojuist „per ongeluk” gedood. „Hij zag er uit als een moslim en hij had allemaal adressen van islamieten in zijn telefoon.”

Wild gebarende jonge mannen voegen zich bij ons. Amuletten die hen moeten beschermen hangen om hun nekken. Een zoete geur van drank. Ze voeren een man in ondergoed mee. „Papa, kijk”, wenden ze zich tot mij. „Dit is een dief en hij is tegen ons.” De lange slungelige man in bruin boxershort zinkt neer aan mijn voeten. Hij krijgt enkele trappen. „We moeten hier weg”, waarschuwt mijn chauffeur. Dan geeft een jongen met een muts van Manchester United met zijn zware laarzen een paar stevige schoppen tegen zijn slaap. Bloed stroomt over zijn hoofd. Weer iemand dood.

De Anti Balaka-strijders zijn trots op zichzelf. Ze willen graag nog even op de foto. Met hun wild zwaaiende kapmessen. Op de achtergrond gaat een man door met houthakken en een vrouw werkt in haar groentetuin. Twee jongens in gestreken uniform van de padvinderij slaan een verlegen blik op de levensloze man in onderbroek. Ze wandelen verder. Alsof het heel gewoon is.

    • Koert Lindijer