Jeruzalem werd geofferd in de Romeinse machtsstrijd

In 66 na Christus breekt in Judea, een uithoek van het Romeinse rijk, de hel los. Uit diepe haat jegens de Romeinen, heet het. Maar volgens historicus Steve Mason richtte de joodse woede zich vooral tegen de niet-joodse buren: de Samaritanen.

Burenruzie in het zuiden van Romeins Syrië

‘Het gewapende conflict tussen Joden en Romeinen in de eerste eeuw na Christus was waarschijnlijk de belangrijkste oorlog uit de westerse geschiedenis.”

Historici doen wel vaker stevige uitspraken, maar deze springt eruit. Hij is van de Canadese oudhistoricus Steve Mason, die eerder deze maand een lezing gaf aan het Qumran Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen. Onderwerp was de Joods-Romeinse Oorlog (66-70 AD), die uitbrak onder keizer Nero en werd beslecht door diens opvolger Vespasianus. De oorlog eindigde in het jaar 70 met de verwoesting van Jeruzalem, waarbij de tempel, ritueel centrum van het jodendom, in vlammen opging.

Masons specialisme is het antieke Judea, de landstreek rond Jeruzalem die sinds de verovering door Pompeius in 63 v.Chr. een vazalstaatje was van het Romeinse Rijk. Daar braken in 66 AD gewelddadigheden uit, toen de Romeinse prefect hulptroepen uit het naburige Samaria de vrije hand liet bij het innen van belastingen. Daarbij werd de tempel in Jeruzalem meer dan eens ontheiligd.

Sinds de 19de eeuw hebben historici geschreven dat Judeeërs toen naar de wapens grepen uit haat jegens de Romeinse onderdrukkers.

Maar Mason ziet dat anders. De oorlog, zegt hij, begon als een regionaal conflict tussen twee etnische groepen, Judeeërs en Samaritanen, gevoed door eeuwenoud zeer. De Romeinen beschouwden Judea juist als hun steunpunt in de regio en onderhielden goede banden met de elite in Jeruzalem. De Romeinen werden, zegt Mason, tegen wil en dank betrokken in dit lokale conflict. Pas toen Vespasianus voor zijn machtsaanspraken in Rome een buitenlandse militaire overwinning nodig had, werd dit opstandje opgewerkt tot een heuse oorlog.

Priestergeslacht

De belangrijkste bron over het verloop van het conflict is het werk van historicus Flavius Josephus (37-100), telg uit een joods priestergeslacht – zijn Hebreeuwse naam was Josef ben Matitjahu. Hij was getuige van de oorlog, eerst als Judese generaal en na zijn overgave als krijgsgevangene. Toen hij zich op 34-jarige leeftijd in Rome vestigde, nam hij de familienaam (Flavius) aan van zijn beschermheer, keizer Vespasianus. Hij schreef De Joodse Oorlog (75), De Oude Geschiedenis van de Joden (94) en een autobiografie (99), alle in het Grieks.

Mason zoekt de wortels van de Joods-Romeinse oorlog niet in de relatie van Judea met Rome, maar in etnische spanningen in het gebied zelf. Die spanningen waren groot omdat de grenzen van Judea in de voorafgaande eeuwen nogal eens verschoven. In de tweede eeuw vóór Christus maakte het deel uit van het hellenistische koninkrijk der Seleuciden. In 168 v. Chr. wierp Judea het Syrische juk af en werd het weer een zelfstandig koninkrijk.

Mason: „Om te voorkomen dat het in de toekomst opnieuw in zijn bestaan zou worden bedreigd bewapende Judea zich en breidde het zijn grondgebied uit. De buren werden onderworpen aan de joodse wet. Steden werden verwoest, met tempels en al. Dat overkwam ook Samaria, de niet-joodse landstreek ten noorden van Judea. Vanouds was Samaria de dominante speler in het gebied, waar opeenvolgende heersers na Alexander de Grote hun soldaten hadden gerekruteerd en een garnizoen hadden gelegerd. De Samaritaanse tempel op de berg Gerizim werd in 111 v. Chr. door Judeërs met de grond gelijk gemaakt. De wrok die dit wekte zou anderhalve eeuw later een uitweg vinden.”

Onder het Romeinse keizerrijk, vertelt Mason, werd Judea een vazalstaat met een bevoorrechte positie in het etnisch diverse zuiden van de provincie Syrië. Hulptroepen wierven de Romeinen vooral in het naburige Samaria, maar leden van de Judese koninklijke familie waren de echte zetbazen van Rome in het gebied. Judea kreeg toestemming om bij joodse gemeenschappen in het hele rijk bijdragen te innen voor het onderhoud van de tempel in Jeruzalem, een uitzonderlijk voorrecht. Wanneer er geen Judese koningszoon beschikbaar was, stuurde Rome een prefect, want edelen uit buurstaatjes zouden de belangen van Jeruzalem kunnen schaden.

Mason: „Aan dit systeem komt een einde als Nero keizer wordt. Hij geeft al snel blijk van minachting voor de Judeeërs. Bovendien kampt hij met chronisch geldgebrek. In 64 stuurt hij Gessius Florus als zijn prefect naar de kustplaats Caesarea, net buiten Judea. Zijn voornaamste opdracht is geld te innen van de tempel in Jeruzalem. Uit alle hoeken van het rijk stromen joodse bijdragen binnen. Die dienen om priesters en offerdieren te betalen, maar worden ook opgespaard. De tempel is in feite de rijkste bank van het gebied. Om te zorgen dat tempeldienaren over de brug komen, bedient Florus zich van zijn Samaritaanse hulptroepen. Die wrijven zich in de handen; hier hebben zij op gewacht. Met goedvinden van de prefect gaan zij zich in Jeruzalem te buiten aan plundering. Enkele aristocraten worden gekruisigd.”

Judese notabelen doen hun beklag bij de Syrische Legaat (gouverneur) in Antiochië, hoofdstad van de provincie Syrië. Maar Legaat Cestius Gallus aarzelt om in te grijpen. Nero heeft al heel wat gouverneurs laten ombrengen. Gallus is bang om in te gaan tegen Florus, een gunsteling van de keizer.

Dan breekt de hel los in het zuiden. Judeeërs die hun leven niet meer zeker zijn onder de Samaritaanse terreur breken het arsenaal in Jeruzalem open waar schilden, zwaarden en speren liggen opgeslagen en belegeren fort Antonia waar het Samaritaanse garnizoen is gelegerd. Zij beloven de soldaten vrije aftocht, maar als zij naar buiten komen en hun wapens inleveren, worden ze afgemaakt.

Mason: „Opmerkelijk genoeg sparen de Judeeërs de Romeinse commandant. Zij hebben kennelijk geen probleem met de Romeinen, maar wel met de Samaritanen. Als de Legaat hoort van dit geweld, besluit hij tegen het einde van 66 alsnog met een legioen zuidwaarts te trekken.”

Mason spreekt van een ‘politionele actie’: „Het komt niet bij Gallus op dat hij in oorlog is met Judea. Eerder dat jaar heeft hij nog het joodse Paasfeest gevierd met leiders in Jeruzalem. Bij die gelegenheid klaagden Judese notabelen dat Gessius Florus hen op de huid zat. En dan meldt diezelfde Florus hem dat de joden in opstand komen. Hij besluit de orde te herstellen en de schuldigen te straffen.”

Onderweg naar het zuiden steekt Gallus in Galilea enkele Judese dorpen in brand en verwoest hij de Judese zeehaven Joppa (Jaffa). Om te laten zien wie er de baas is in deze uithoek van het rijk. Mason: „Zo wekt hij juist anti-Romeinse sentimenten, terwijl die eerst nauwelijks leefden. Hij lijkt dit niet te beseffen, want als hij eind 66 voor de poorten van Jeruzalem verschijnt, verwacht hij eenzelfde welkom als hem eerder te beurt was gevallen. Maar dat gebeurt niet. Een militante minderheid in Jeruzalem grijpt het nieuws over Gallus’ strafexpeditie aan om stadgenoten ervan te overtuigen dat de tijd is gekomen om zich te verdedigen. De stadspoorten worden gesloten.”

Gallus heeft vijanden gemaakt. Als hij zich terugtrekt naar het noorden, valt hij in een hinderlaag van opstandige Judeeërs, waarbij een deel van zijn legioen wordt vernietigd. Een Romeinse reactie is dan onvermijdelijk en generaal Vespasianus en zijn zoon Titus trekken met 60.000 man naar het zuiden van de provincie Syrië.

Toch is het dan nog steeds een politionele actie, zegt Mason, geen oorlog. „Er is in die vier jaar nauwelijks gevochten. Het werd eigenlijk pas een oorlog toen Vespasianus en Titus, inmiddels keizer en keizerszoon, wilden terugkeren naar Rome. Zij hadden behoefte aan een overwinning, niet in een burgeroorlog van Romeinen tegen Romeinen, niet bij een strafexpeditie in een verre provincie, maar een zege in een buitenlandse oorlog.”

Schatplichtig

Dit is de beslissende wending in het conflict. Van een opstandje wordt het nu een totale oorlog. Mason: „Het beleg en de inname van Jeruzalem door Titus in 70, waarbij de tempel in de as wordt gelegd, is in feite een operatie in een al tientallen jaren schatplichtig rijksdeel. Maar vader en zoon stellen dit voor als een nieuwe verovering. Zij zeggen: kijk naar de oorlogsbuit die we meebrengen uit veroverd gebied! Ze doelen op pronkstukken uit de tempel, zoals de menora (zevenarmige kandelaar), waarmee de bouw van het Colosseum is gefinancierd. In de propaganda rond hun triomfale intocht in Rome heet het dat Jeruzalem nooit eerder was ingenomen.”

Hier, zegt Mason, blijkt dat de geschiedschrijver Josephus geen lakei is van de keizerlijke familie, zoals vaak wordt beweerd. „Aan het begin van zijn boek ‘De Joodse Oorlog’ beschrijft hij in detail Pompeius’ verovering van Judea en zo maakt hij korte metten met de claim van de Flavii. Hij noemt Pompeius ‘een man van karakter, rechtvaardig en vroom’, omdat hij zich niet, zoals Titus, vergreep aan de tempel.”

Waarom vindt Mason deze Joods-Romeinse Oorlog de belangrijkste oorlog uit de westerse geschiedenis?

„Om drie redenen. Allereerst vanwege de gevolgen die hij had voor Rome. Na de zelfmoord van Nero in 68 vochten drie rivalen om de keizerstroon op de slagvelden van Italië en in de straten van Rome. Het rijksbestuur was in chaos. De verwoesting van Jeruzalem gaf de Flavii de geloofsbrieven die zij nodig hadden om de regering aan zich te trekken. De familie regeerde dertig jaar in rust en vrede. En dat was de opmaat van nog eens honderd jaar voorspoed onder de Antonijnen, de familie van Verspasianus’ generaal Nerva. De tweede eeuw wordt algemeen beschouwd als de gelukkigste periode van het rijk. Het waren de Flavii die deze cyclus in gang zetten met hun overwinning in Judea.”

„Voor de joden,’ vervolgt Mason, „betekende de verwoesting van de tempel dat zij niet langer konden functioneren als andere antieke samenlevingen, want die waren opgebouwd rond godenverering met dierenoffers, altaren en priesters. En zij konden de tempel niet herbouwen op een andere plaats, dat liet de joodse wet niet toe. Zij moesten dus een andere vorm vinden. Dat werd het rabbijnse jodendom, waarin teksten lezen en gebed de plaats innamen van de offerdienst. Zo werd het jodendom de eerste moderne religie en kon het tweeduizend jaar overleven.”

Christenen hebben volgens Mason nog het meest geprofiteerd van de val van Jeruzalem. „Zij legden die uit als Gods definitieve vonnis over de joden. Als het ultieme bewijs dat zijn gunst was overgegaan op de christenen. Dat thema wordt eindeloos herhaald door vroege christelijke auteurs als Justinus de Martelaar, Tertullianus en Eusebius. Zij schrijven dat de joden hun status van Gods uitverkoren volk hebben verspeeld omdat zij Christus verwierpen. Christenen zeiden nog eeuwenlang: wij verzinnen dit niet, kijk maar: Jeruzalem is verwoest.”

    • Dirk Vlasblom