Handelsmissie: eerst contact, dan contract

Met de wereldleiders komen handelsdelegaties mee naar de nucleaire top

Dejima (eiland dat uitsteekt) was een kunstmatig, waaiervormig eilandje van nog geen anderhalve hectare in de haven van Nagasaki in Japan. Van 1641 tot 1859 was deze Nederlandse handelspost het enige contact tussen de westerse wereld en het afgesloten Japan. Foto Koninklijke Bibliotheek

Het ontvangen van buitenlandse handelsdelegaties en het organiseren van handelsmissies naar het buitenland is „cruciaal voor de Nederlandse – open – economie”, zegt Henk Bleker, in het kabinet Rutte-I staatssecretaris van Economische Zaken en verantwoordelijk voor het handelsbeleid. Veel wereldleiders die volgende week de nucleaire top in Den Haag bezoeken, worden vergezeld door een handelsdelegatie. „Contact is niet direct een contract”, zegt Bleker, „maar er worden relaties gelegd die op de lange termijn tot contracten kunnen leiden. Dit soort ontmoetingen zijn cruciale investeringen voor de toekomst.”

Vooral voor het midden- en kleinbedrijf zijn deze bijeenkomsten erg belangrijk. „Multinationals als Shell, Philips en Unilever weten met hun grote netwerk hun weg wel te vinden in het buitenland. Voor de kleinere bedrijven zijn handelsmissies de kans om een netwerk op te bouwen. Een minister of een premier kan daarbij een handje helpen, een deur openen.”

VOC-handel met Japan

Met een open economie is de Nederlandse economische ontwikkeling sterk afhankelijk van internationale handel. Afgelopen jaar exporteerde Nederland voor 434 miljard euro en importeerde het voor 384 miljard. Nederland heeft zich vanouds ingespannen voor speciale handelsrelaties. Dat gaat terug tot 17e eeuw, toen de VOC als enige handel met Japan mocht drijven op het eilandje Dejima.

Rondom de nucleaire top komt een zware delegatie uit China naar Nederland, onder leiding van president Xi Jinping en minister van Handel Gao Hucheng. Xi Jinping bezoekt ook Parijs, Berlijn en Brussel. Zijn komst heeft alles te maken met de ontwikkeling van Europa tot belangrijkste handelspartner van China. In tien jaar is de handel gegroeid naar 400 miljard euro. Het is een reguliere handelsmissie, met veel uiterlijk vertoon. Zo ontvangt koning Willem-Alexander de president zaterdagavond voor een staatsbanket en wordt zondag een tulp gedoopt.

Kan product X de markt op?

Maar de nucleaire top biedt meer mogelijkheden voor handel. Er wordt een aantal rondetafelgesprekken georganiseerd door werkgeversorganisatie VNO-NCW, waar delegaties uit China, Kazachstan, Vietnam, Canada en Indonesië vertegenwoordigers van Nederlandse bedrijven ontmoeten. Grote als Philips en ING, maar ook kalfsvleesleverancier Van Drie Groep en ingenieursbureau Witteveen+Bos. „Voor een bedrijf als het onze is elk contact met een buitenlandse overheid een unieke kans”, zegt directielid Henk Nieboer van Witteveen+Bos.

Wat bij die bijeenkomsten inhoudelijk wordt besproken wil niemand zeggen. Doorgaans kunnen Nederlandse bedrijven vragen stellen aan overheidsvertegenwoordigers van de andere landen, laat VNO-NCW weten; welke politieke besluiten worden er genomen? En kan product X daar binnen de regelgeving op de markt worden gebracht?

„Het is niet zo dat er contracten worden afgehamerd”, zegt Winand Quaedvlieg, handelsspecialist van VNO-NCW. „Maar er kan wel een hoop bereikt worden.” Als voorbeeld noemt hij een rondetafelgesprek van een paar jaar geleden. Een Nederlands bedrijf had een grote opdracht in een land uitgevoerd, maar nog geen geld ontvangen. Na een gesprek met vertegenwoordigers van de overheid had het bedrijf binnen een paar maanden het geld alsnog binnen.

Ontwikkelingslanden

Vorig jaar is het kabinet 27 keer op handelsmissie geweest om Nederlandse bedrijven te helpen op buitenlandse markten; zeven keer meer dan in 2012. In totaal namen 800 Nederlandse bedrijven deel. „Bij dit soort missies snijdt het mes aan twee kanten”, zei minister Lilianne Ploumen (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, PvdA) in een toelichting. „Ze helpen het bedrijfsleven om miljarden aan orders binnen te slepen. Daarmee zijn duizenden Nederlandse banen gemoeid.” Belangrijk is, volgens de minister dat „we de boot niet missen in de nieuwe opkomende markten, zoals Brazilië en India”. Tegelijkertijd kan Nederland in een groot aantal ontwikkelingslanden „echt een verschil maken met de nieuwe agenda voor hulp, handel en investeringen”, aldus Ploumen. „Meer en meer van die landen willen een handelsrelatie met Nederland die tot duurzame groei en banen leidt. Nederlandse bedrijven kunnen daar een belangrijke bijdrage aan leveren en er zelf ook beter van worden.”

De zogenoemd strategische reisagenda werd in overleg met VNO-NCW en MKB Nederland nog nauwer dan voorheen afgestemd op de wensen van het bedrijfsleven. Extra aandacht was er voor nieuwe, opkomende markten in onder meer Ethiopië, Kenia en Birma. Uit evaluaties blijkt dat bedrijven veel waarde hechten aan deze dienstverlening door de overheid.

    • Cees Banning
    • Tim Wagemakers