Geen woord over koloniale slachtpartijen bij herdenking van het Koninkrijk

Nederland viert zijn tweehonderd jaar onafhankelijkheid uitbundig. Maar over de koloniën, over Indië, wordt nauwelijks gerept. Piet Hagen roept Willem-Alexander daarom op naar Jakarta te gaan.

In twee jaar tijd viert Nederland twee eeuwen onafhankelijkheid, grondrechten en koninkrijk. Dat zeventig miljoen onderdanen in de ‘overzeese gebiedsdelen’ geen vrijheid werd gegund, wordt daarbij makkelijk vergeten. Laat koning Willem-Alexander daarom een gebaar maken; laat hij op 17 augustus 2015, als Indonesië zeventig jaar onafhankelijkheid viert, deelnemen aan de festiviteiten in Jakarta.

Al bij de eerste eeuwviering van de Nederlandse onafhankelijkheid, in 1813, kwam de dubbele moraal aan het licht, toen de in Nederlands-Indië verboden Indische Partij tegen de geldinzameling voor het Nederlandse feestje protesteerde. Raden Mas Suwardi Suryaningrat schreef zijn brochure Als ik eens Nederlander was met het advies: „Eerst dat geknechte volk zijn vrijheid geven, dan pas de eigen vrijheid vieren.”

Zelfs dat advies was verboden. De man die later korte tijd minister van Onderwijs van de Republiek Indonesië zou zijn, werd voor enige tijd verbannen.

Nu was het protest van onderwijspionier Suwardi (later Ki Hajar Dewantara) wel een uitzondering. Talloze Indonesiërs deden nog braaf mee aan de jaarlijkse Oranjefeesten, op 31 augustus, in de kolonie. Met name koningin Wilhelmina, ze is zelf nooit in Indië geweest, symboliseerde de eenheid van het koninkrijk en tegelijk de opperste macht – die zij trouwens grondwettelijk niet bezat. Ook lokale vorsten konden volgens Indonesië-kenner Henk Schulte Nordholt leven met opperheersers in den vreemde, want dit camoufleerde dat ze eigenlijk niet meer dan een vazal waren.

Tegen de achtergrond van die Oranje-mythe is het merkwaardig dat Nederland zelf de ‘innige’ band met Indonesië zo snel is vergeten. Alsof die anderhalve eeuw gekoesterde ‘koninkrijksgedachte’ nooit heeft bestaan. Heeft dat te maken met onwetendheid of schuldgevoel?

Het Nationaal Comité roept ons op te vieren dat we 200 jaar, weliswaar met vallen en opstaan, ‘vrij en verbonden zijn door gelijke rechten en plichten’. Geldt dat alleen voor het huidige koninkrijk of ook voor Suriname en Indonesië? We moeten stilstaan bij verworvenheden als ‘persoonlijke rechten en vrijheden binnen een democratische rechtsorde’. Maar is dat juist niet wat van 1815 tot 1950 aan tientallen miljoenen (een veelvoud van onze eigen bevolking) werd onthouden?

Met het oog op de viering van 200 jaar Oranjemonarchie verschenen onlangs biografieën van de koningen Willem I (door Jeroen Koch), II (Jeroen van Zanten) en III (Dik van der Meulen). Schitterende portretten van vorsten die grote betekenis hadden voor hun land - maar die er af en toe ook een puinhoop van maakten.

Toch, in deze biografieën is relatief weinig aandacht voor de koloniën waar verreweg het grootste deel van de onderdanen woonde. Dat geldt het meest voor het levensverhaal van Willem I, die van 1815 tot 1840 als autocratisch vorst kon regeren, niet gehinderd door ministeriële verantwoordelijkheid of reële zeggenschap van het parlement. Hij was oprichter van de in Indië bevoorrechte Nederlandse Handel-Maatschappij waarvan hij tevens grootaandeelhouder was, zoals zijn kleinzoon prins Hendrik dat was van Billiton.

Die feiten worden vermeld, maar de Java-oorlog (1825-1830) die aan meer dan 200.000 Indonesiërs en 15.000 Europeanen het leven kostte, wordt alleen terloops genoemd. En toch was Willem I daarvoor de eerst verantwoordelijke.

De Javaanse massaslachting krijgt wel aandacht in het hoofdstuk ‘Koning Willem I en de schepping van de koloniale staat’ van Leonard Blussé in het boek Een nieuwe staat, uitgegeven in opdracht van het Nationaal Comité. Maar ook hier blijft de uitleg over deze bijna vergeten oorlog beperkt tot een regel of tien - en dan gaat het meer over de hoge kosten dan over de koninklijke besluitvorming.

In de biografie van Willem II, die regeerde van 1840 tot 1849, komen de koloniën iets royaler aan bod. Terecht, want de grondwet van 1840 legde de verantwoordelijkheid voor het koloniaal bestuur nog altijd grotendeels bij de koning. Willem II zag Indië in de eerste plaats als wingewest. Het Batig Slot fungeerde als een Groningse gasbel bij het terugdringen van de door oorlogen in België en Indië hoog opgelopen staatsschuld.

Hoewel koning Willem III door de liberale grondwet van 1848 was gekortwiekt tot constitutioneel staatshoofd, probeerde hij regelmatig de ministers naar zijn hand te zetten, compleet met aanvallen van razernij. Dat gold ook voor de koloniale politiek, die bij Van der Meulen uitvoeriger aan bod komt dan bij zijn collega-biografen.

Voor de afschaffing van de slavernij in 1863 kreeg de koning wel iets te veel eer. Dat vindt ook zijn biograaf. In Een nieuwe staat formuleert de directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, Gert Oostindie, het scherper. Ook al had Willem III zich dan niet verzet tegen dit parlementaire besluit, hij en zijn voorgangers hadden in het verleden ‘geen vinger uitgestoken ter bescherming van deze verre onderdanen’.

Van der Meulens conclusie dat Nederland tijdens de regering van Willem III (1849-1890) ‘afgezien van Atjeh geen oorlog had gekend’ is onjuist. Ook in deze periode was er in de Indonesische archipel altijd wel ergens oorlog, vaak op meerdere plaatsen tegelijk. Voortdurend werd de archipel geteisterd door ‘tuchtigingen’ van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. En toen het na 1910 eindelijk wat rustiger werd, sloeg algauw de repressie toe. In de jaren ‘30 werd elk streven naar meer vrijheid met harde hand de kop ingedrukt. Zelfs na de Tweede Wereldoorlog slaagde Nederland er niet in Indonesië zonder oorlogsgeweld de vrijheid te verlenen die het zelf in 1945 had herwonnen.

Pas in 2005 heeft de Nederlandse regering 17 augustus 1945 (de dag van de proclamatie) ‘politiek en moreel’ als onafhankelijkheidsdag erkend. De in Indië geboren minister Bot van Buitenlandse Zaken was toen aanwezig bij de viering van het zestigjarig bestaan van de Republiek Indonesië en bekende dat Nederland ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis had gestaan’.

Wat zou het mooi zijn als koning Willem-Alexander in 2015, als het Koninkrijk der Nederlanden 200 jaar en de Republiek Indonesië 70 jaar bestaat, dat laatste feest in Jakarta ging meevieren.