Een jeugd zonder verhaal

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: het verschrikkelijkste moment van mijn kindertijd.

Ik had nooit met een meisje gezoend. Ik was niet mishandeld, had nooit getript en vrienden zonder vaste woon- of verblijfplaats kende ik niet. Evenmin had ik op de klanken van Nick Cave over zelfmoord gefantaseerd. In een pleeggezin had ik niet gezeten. Mijn ouders waren geen Bekende Nederlanders. Toen ik, kortom, op achttienjarige leeftijd mijn Brabantse dorp verruilde voor Amsterdam, had ik geen verhaal. Daarvoor schaamde ik mij.

Vorige week was ik op zaterdagmiddag uitgenodigd voor een lunch in een boekwinkel om een voordracht te geven. Vijftien vrouwen zouden er vertellen over hoe hun afkomst hun leven en werk inspireert.

Ik luisterde naar een vrouw uit een streng, gereformeerd gezin uit Amsterdam. Ze was journalist. Hoe haar afkomst haar werk beïnvloedde? Tot op de dag van vandaag reageert ze op gereformeerde mannen als een stier op een rode lap.

Ik luisterde naar een Roemeense vrouw. Als kind had ze gezien hoe vrouwen zichzelf aborteerden in een badkuip. Abortus was tijdens het Ceausescu-regime verboden. Duizenden vrouwen stierven door illegale abortussen. Vrouwen waren „specialist in giftige planten”, vertelde ze. „Die brachten ze in in hun binnenste, om zo een nieuw kind, voor wie ze geen eten en geen toekomst hadden, te doden in hun buik.”

En ik luisterde naar het huiveringwekkende verhaal van een Syrische vrouw. Ze kwam uit een woestijndorp. Haar kindertijd was „geen gezellig onderwerp om over te praten”, zei ze. Dus dat deed ze liever niet. Ze wilde alleen één verrukkelijk moment delen. Wat volgde was een huiveringwekkend relaas over de sadistische spelletjes die de dorpskinderen met dieren deden. Jongens drenkten katten in olie en staken ze met een lucifer aan. Als de katten op waren, pakten ze honden. Een jongen, Yousep genaamd, stak gloeiendhete ijzeren staven in het achterste van ezels. De staven staken door de ingewanden heen en kwamen er in de flanken van de ezel weer uit. „De stront stroomde eruit als bier uit een doorschoten vat.” Na een mislukte poging om een kat te wurgen, sprong ze van de trap van een half afgebouwd pand, boven haar hoofd hield ze haar moeders paraplu. Ze kwam terecht in een bergje zand en raakte even bewusteloos. En dat moment, zei ze, dat moment waarop ze even was weggeweest, „was het mooiste van mijn kindertijd”.

En toen moest ik huilen. Maar niet uit empathie met de vrouw die net had voorgedragen. Ik dacht aan mijn ouders die mij een rimpelloze jeugd hadden bezorgd en die er nu niet meer waren. Zou ik één moment uit mijn kindertijd kunnen bedenken waarop ik er niet had willen zijn?

Misschien het moment waarop ik ontdekte dat mijn moeder het okergele bloesje had weggegooid. Het okergele bloesje was een kort, kraagloos bloesje van dikke katoen met platgestikte plooitjes aan de voorkant. Mijn moeder, met wie ik graag winkelde, was smetvrezerig. In winkels met tweedehands kleding kwamen wij nooit. Maar nu had ik zelf iets tweedehands gekocht: een bloesje dat symbool moest staan voor de creatieve weg over ongebaande paden die ik zou afleggen als ik eenmaal het huis uit was.

„Mam, heb je dat okergele bloesje gezien?”

„Dat gore ding? Met die coupenaden? Waar een oud vies vrouwtje in is gestorven? Dat heb ik in de Zak van Max gestopt hoor.”

Dat moment, waarop mijn moeder mijn diepste wezen negeerde, dat was misschien wel het verschrikkelijkste moment van mijn kindertijd. Maar ik geef toe. Het is geen verhaal. Daarom moest ik dus een beetje huilen.