Droom huis

Fictie //Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week: een fragment uit de nieuwe essaybundel Achternamiddagen van Christiaan Weijts, een verhaal op de grens van fictie en autobiografie. Over droom en daad van Ome Louis.

Schrijfles: in beschrijvingen van uiterlijk of interieurs nooit te gedetailleerd zijn, omdat dat de verbeelding van de lezer (en die is het die het boek maakt) blokkeert. Speelt een boek zich af in een oud huis, dan stelt iedereen zich er een eigen oud huis bij voor. Doorgaans is dit hetzelfde huis als dat decor is in je dromen.

Bij mij was dit boeken- en droomhuis lange tijd dat in Bergen op Zoom. Een bekend droomgegeven is dat je eigen huis, waar je al jaren woont, ineens over een extra kamer, zolder of kelder blijkt te beschikken.

In het geval van het Bergen op Zoom-huis werd die droom aan het einde van het leven van Ome Louis werkelijkheid. Op z’n achtentachtigste besloot hij de kelder onder het huis open te breken, een verbouwing die vele tienduizenden (toen nog) guldens moet hebben gekost, maar Ome Louis verkeerde in de veronderstelling dat hij schatrijk was, en binnen korte tijd wereldberoemd. Verjaardagskaarten schreef hij al enkele jaren alleen nog maar vol met juichende uitroepen, veelal refererend aan zijn eigen grootsheid. Hij zou binnenkort gaan exposeren in New York en Japan. Japan vooral! Daar zou hij heen gaan op een motor. Hij had daartoe een stoer leren jack aangeschaft, dat ik na zijn dood nog jaren heb gedragen.

Koken deden hij en tante Wies ook al niet meer. Ze aten dagelijks in een Van der Valk-restaurant, en lieten die keten op een gegeven moment hun maaltijden bezorgen, als een soort privé-tafeltjedekje. De laatste keer dat ze in het restaurant gingen eten, werden ze door de politie thuisgebracht. Ze waren over de snelweg gaan wandelen.

‘We hebben wel even naar die agenten gezwaaid toen ze wegreden,’ zei Ome Louis. ‘Anders zouden de buren rare dingen van ons gaan denken, hè?’

Bij zijn wereldfaam hoorde, om nooit helemaal opgehelderde redenen, een kelder. In brieven schetste hij de gewelven. Het zou een expositieruimte en museum inéén worden, spierwit, volmaakt.

Ik zag de kelder pas na zijn dood: een waanzinnige ruimte onder het hele huis, licht, wit en leeg, wat de spookachtige sensatie gaf hier in werkelijkheid te zien wat zo vaak in dromen gebeurt.

Ome Louis stierf in een ziekenhuis, waar hij behandeld was aan iets wat geloof ik op zichzelf niet levensbedreigend was. Maar toen hij wakker werd, en zichzelf verbonden zag aan slangetjes en apparaten, had hij die allemaal losgetrokken en is hij de lift in gelopen. Waar dacht meneer naartoe te gaan? Dat kwam het toegesnelde personeel vragen.

‘Naar huis.’

In de nacht na zijn dood had ik een droom waarin hij in zijn atelier, dat nog altijd vol stond met spullen, een krijttekening maakte op de vloer, tafeltjes, stoelen, vazen en prullaria ontwijkend, op handen en voeten.

‘Zo…’ zei hij tevreden, en nodigde mij uit te kijken. Nu zag ik het atelier van bovenaf: hij had een wit paard getekend, in perfecte anatomische verhoudingen.

Ik ging niet kijken in zijn kist.

De rest van de familie deed dat wel, op mijn opa na, die al z’n halve leven met z’n broer gebrouilleerd was. Dus zat ik naast hem in de wachtkamer van het crematorium. Ik besefte dat ik nog nooit eerder met hem alleen in één ruimte was geweest. We spraken geen van beide.

Gebrouilleerd. Waarom wist ik niet precies. Als twintigers gingen ze nog amicaal met elkaar om. Er waren foto’s van vlak voor de oorlog die hiervan getuigden, en er deed een verhaal de ronde dat mijn oudoom eens van een vriendin af wilde, waarop mijn opa, ‘een notoire rokkenjager’, zoals dat heet, het meisje in kwestie in een handomdraai versierde.

Er is een verhaal waarin mijn ouders mijn opa eens in, ik dacht, Luxemburg onverwacht tegen waren gekomen. In de verte zagen ze hem gearmd met een jonge, onbekende vrouw. Zodra hij zijn zoon en schoondochter opmerkte, maakte hij zich los van z’n vriendinnetje. ‘Hij moffelde haar weg achter een pilaar,’ vertelde mijn moeder. ‘Achter een piláár!’

Niet lang voor Ome Louis doodging, was de laatste vrouw van mijn opa overleden, een veertig jaar jongere celliste met wie hij rond zijn zestigste in het geheim trouwde in Engeland, wat hem zijn baan als vioolleraar aan het conservatorium kostte.

‘Het wordt een zogenaamd “Engels huwelijk” als die term je iets zegt,’ had hij aan mijn vader geschreven. De term betekende dat de bruid nog geen eenentwintig was, maar wel al achttien, de leeftijd waarop je in Engeland kon trouwen. Ze was maar veertig jaar geworden. Ome Louis stuurde na haar dood een kaartje: zijn broer moest maar gauw eens langskomen, samen met de ‘nieuwe vriendin die je nu inmiddels ongetwijfeld zult hebben’.

Ome Louis is kinderloos gebleven, en heeft zijn hele leven in het ouderlijk huis gesleten, samen met twee zussen, waarvan er eentje betrekkelijk jong stierf, en de ander nu in een rolstoel naast zijn opgebaarde lichaam zat.

De dood had een gezicht gekregen. Eén oma, één papegaai, één oudoom.

En een enkeling wankelde al op de rand. Dat bleek bij de crematieplechtigheid, waarbij tante Wies, vooraan in een rolstoel, in slaap sukkelde. Na afloop – het lichaam was de oven in geschoven, en onze koffie en broodjes waren op – was het tijd om te vertrekken. Tante Wies blikte verstrooid om zich heen.

Ze riep zijn naam door de bescheiden menigte: ‘Louis? Louis, kom je mee? Louis, we moeten naar huis!’