De ijsbijl glijdt weg. Ik hang aan m’n rechterhand

In Den Haag staat een metershoge ijswand – binnen // De Alpengems onder onze redacteuren nam de ijsbijlen in handen // ‘Zelf ben ik minder cool dan ik had gehoopt’

Redacteur Peter van der Ploeg in actie. ‘Ik kijk naar boven om niet naar beneden te kijken.’ foto peter de krom

‘Nu jezelf laten vallen. Hop, in één keer.” Ik bungel op twaalf meter hoogte met twee levensgevaarlijke ijsbijlen aan een stijf bevroren muur van ijs. Zelf ben ik minder cool dan ik had gehoopt. Hop? Ik dacht het niet.

De bedoeling is nu dat ik de bijlen – een soort Alien-achtige, zwarte haken van een centimeter of dertig – een beetje loswring, ze in een vloeiende beweging met uitgestrekte armen tegelijk achter m’n rug sla en naar beneden stort. De automatische zekeringsinstallatie, met een carabijnhaak bevestigd aan mijn middel, treedt dan in werking en zorgt ervoor dat ik licht verend naar beneden dwarrel. Als een blaadje.

Mijn armen verkrampen. Ik wil de zekeringslijn het liefst vasthouden, maar met de bijlen in mijn handen kan dat niet. Brokjes ijs tikken tegen het vizier van m’n helm. Ik kijk naar boven om niet naar beneden te kijken. Natuurlijk kijk ik toch.

Ik geef toe, zo hoog is het ook weer niet. Er is geen peilloze afgrond, ik ben niet eens in de bergen. De ijswand is van buitensportwinkel Bever in Den Haag en beneden roept instructeur Jason Nede. Die deed het nog voor: als een Alpengems klauterde hij tegen de ijsmuur omhoog. Op een meter of vijf keek hij me even aan, en liet los. Hop. Hij zakte met z’n kont naar achter, het touw gaf een beetje mee en blokkeerde toen zodat hij niet doodviel. Met drie sprongetjes tegen het ijs stond hij weer beneden, fris en fruitig. „Zelfs als je niet kan klimmen, kun je op deze wand goed uit de voeten.”

Een bevroren waterval

Daar had hij wel gelijk in. Naar boven klimmen is leuk en niet te moeilijk. De Haagse ijswand is te vergelijken met een bevroren waterval, maar minder onvoorspelbaar. De wand zit vol oneffenheden waar je de ijsbijlen in kan prikken, en er zijn genoeg kleine plateaus om je voeten op kwijt te kunnen. Het zoeken naar de beste plek voor je handen en voeten maakt klimmen zo uitdagend.

Het voelt goed een schijnbaar onmogelijk stukje voorbij te klimmen, je krijgt het idee dat je de hele dag door zou kunnen klimmen. Op ijs is dat niet anders, met als verschil een ander ritme door de stijgijzers en klimbijlen, en de brosse ondergrond.

En de kou. Het is permanent tussen de min vijf en min tien graden in de klimruimte, die doet denken aan een forse liftschacht. Maar na een meter klimmen is het snel warm. Het wordt er verlicht door blauwige tl-lampen en tegen een muur naast de ijswand hangt een enorme poster van iemand die tegen het ijs klimt in de buitenlucht. Een pro.

Dat is wel wat anders dan de ijswand hier, op struikelafstand van Den Haag Holland Spoor. Alle uitstulpsels, plateautjes en gladde stukken in deze wand zijn bedacht door de mensen van Bever. Om het vorm te geven halen ze ijsschaafsel van de schaatsbaan in Den Haag, vertelt Nede, het spul dat overblijft als die baan glad gemaakt wordt. „Daar doen we warm water bij zodat je een soort slushpuppy krijgt. Dat zetten we de hele ruimte een dagje op -20 en smeren we de wand ermee in. Niet hetzelfde als een echte waterval, maar goed genoeg om echt het gevoel van ijsklimmen te krijgen.”

Was ik maar gaan duiken

Tijdens de klim naar boven neem ik de tijd. Ik probeer meerdere plekken voor mijn voeten, voor ik weet waar de scherpe punten onder mijn schoenen in blijven haken. Hetzelfde geldt voor de ijsbijlen in mijn handen. Ik kan niet voorkomen dat ik veel te hard in de bijlen knijp en verkramp, maar ik klim gelukkig alleen. Geen haast, minimale schaamte als ik niet meer durf. Er is de niet-klimmende fotograaf (lachend vanaf de balustrade: „Je moet echt iets hoger voor een goeie foto”) en, beneden, Nede.

Die is onervaren recreanten gewend, er komen zo’n 100 mensen per maand ijsklimmen. Bedrijfsuitjes, vrijgezellenfeestjes, zelfs scholen sturen hier hun leerlingen heen. Den Haag heeft de enige indoor-ijsklimwand van Europa en in hetzelfde complex is een gewone klimmuur en een duikwinkel met een duikbad van drie meter diep.

Was ik maar gaan duiken. Buiten wordt het warmterecord voor deze tijd van het jaar verbroken. In de winkel, goed te zien door een raam vanuit de klimruimte, komt een oudere man een paar sokken ruilen. En Nede en de fotograaf hebben ook meer te doen. Ik moet naar beneden.

Drie sprongetjes

Aarzelend probeer ik één bijl los te wrikken. Dat gaat te snel, de bijl glijdt weg en ik hang nog aan mijn rechterhand. Dat gaat zo niet, want ik moet beide bijlen tegelijk losmaken en achter m’n rug houden. Anders loop ik het risico dat ik mezelf spies met zo’n ding. Nede moedigt aan, de fotograaf nu ook. Langzaam trek ik ze naar achter, terwijl ik mezelf tegen de wand druk en de stijgijzers onder mijn voeten verder in het ijs. Ik zie voor me hoe Nede het deed. Drie sprongetjes.

Hop. Ik doe het. Sneller dan ik dacht zak ik naar beneden, volgens mij gil ik zachtjes. In minder dan tien seconden sta ik beneden. Een beetje trillend, maar trots. „Nog eens?”, vraagt Nede terwijl hij me aankijkt alsof ik ook een paar sokken kom ruilen. Eerst maar eens opwarmen. Maar dan, waarschijnlijk, nog een keer.

    • Peter van der Ploeg