De gifbeker van Socrates

De diagnose kwam negen maanden geleden. De stemproblemen, de slechte tijden bij het hardlopen, mijn ongearticuleerde praten – het bleek allemaal het gevolg van ALS, amyotrofe laterale sclerose, afsterving van de zenuwcellen die de spieren voeden. Een verlammende spierziekte die niet alleen progressief en dodelijk is maar ook nog eens zeldzaam. Zo zeldzaam dat niemand hem herkent, en dat je na een gang door de medische instituties terechtkomt bij een neuroloog die in eerste instantie weigert er serieus onderzoek naar te doen. Zo zeldzaam ook dat het voor de farmaceutische industrie niet lonend is om te investeren in onderzoek, waardoor een geneesmiddel nog lang op zich zal laten wachten.

Natuurlijk kende ik ALS; van de portretten in de abri’s met de tekst ‘Ik ben inmiddels overleden’; van Máxima in de Amsterdamse grachten; van een bevriende medica die ooit vertelde over ‘het agressieve broertje van MS’. Niet dat ik ooit had gedacht dat ik het zou krijgen, maar dat schijnt voor iedereen te gelden, bij elke ziekte. Een beetje zoals de klassieke grap die op mijn eerste college geschiedenis door de propedeusedocent werd gemaakt: „Tweederde van de studenten in deze zaal gaat het eerste studiejaar niet halen. Dat betreft vanzelfsprekend niet u, maar uw linker- en uw rechterbuurman.”

Meteen na het doorslaggevende ‘elektromyogram’, waarbij de arts met naalden en elektrische stroom in mijn zenuwen prikte om spiertrekkingen te meten, kwam de uitslag. De neuroloog, die tot drie keer toe had volgehouden dat er niets was om ons zorgen over te maken, schetste van de weeromstuit het somberste perspectief. Het was bulbaire ALS, beginnend bij het ademhalingscentrum, de variant met de kortste levensverwachting. Hij verwees mij meteen door naar het ALS-centrum. En ja, ik mocht best nog een geplande dienstreis maken, maar daarna ried hij mij aan om leuke dingen te gaan doen – waar hij werk duidelijk niet toe rekende. Rond Kerst, zo suggereerde hij, zou ik tot weinig meer in staat zijn.

Als ik mij vroeger dit soort slecht-nieuwsgesprekken voorstelde, dan was dat altijd in termen van ‘een zwart gat’ of ‘de grond die onder je voeten wegzinkt’. Nu merkte ik daar niets van. Ik voelde vrij weinig, en zeker geen wanhoop. Niet omdat ik in staat van ontkenning verkeerde. Niet omdat ik de hoop koesterde dat bij de second opinion in het ALS-centrum zou blijken dat het toch de ziekte van Lyme was (‘antibiotica eroverheen en binnen een jaar loopt u weer marathons’). Maar gewoon omdat de nuchterheid als vanzelf kwam. Ik was 49, best jong, maar ouder dan veel andere ALS-patiënten; ik had al een mooi leven achter me: dertig jaar gelukkig samen, twee gezonde volwassen kinderen, drie carrières, tien boeken geschreven. Ik had in mijn leven te veel geluk gehad om niet te kunnen berusten in botte pech.

In de Faidon, een dialoog van Plato, wordt beschreven hoe de Atheense filosoof Socrates in 399 voor Christus de gifbeker drinkt. Socrates was veroordeeld wegens het niet-geloven in de Griekse goden en wegens het bederven van de jeugd; hij had kunnen vluchten maar hij deed dat niet; hij bleef in zijn cel tot het eind toe doorfilosoferen met zijn leerlingen; en toen de beul kwam met de dodelijke dollekerveldrank, stelde hij het drinken geen moment uit, ook al smeekten zijn leerlingen hem daarom. „Ik geloof niet dat ik er iets mee win wanneer ik wat later drink, behalve dan dat ik me in mijn eigen ogen belachelijk maak wanneer ik me vastklamp aan het leven en spaar terwijl er niets meer is” (vert. Gerard Koolschijn).

Al in de Griekse les, waar ik deze passage voor het eerst las, vond ik het handelen van Socrates het toppunt van grace under pressure. Tot het bittere eind, want Socrates drinkt „losjes en kalm” de beker leeg. Hij kapittelt een van zijn leerlingen die het op een huilen zet, loopt rond totdat zijn benen zwaar worden en gaat dan liggen. Zijn voeten worden koud, daarna zijn schenen en zijn buik en voordat het gif zijn hart bereikt, heeft hij nog de energie voor een paar famous last words – „we zijn Asklepios een haan schuldig” – waarvan de geleerden nog steeds niet weten of het een religieuze oprisping of een schuine grap was.

Socrates’ dood lijkt wel een beetje op de turboversie van het gemiddelde verloop van ALS: eerst verlies je de controle over je benen en je armen en uiteindelijk sterf je omdat je ademhalingsspieren lamgelegd worden. Niet lang na mijn diagnose kreeg ik een mail van een oude schoolvriend die me wees op de parallel tussen mijn lot en dat van Socrates. Hij wenste mij toe dat me nog veel tijd vergund zou zijn om door te brengen zoals de oude filosoof, „samen met je dierbaren, relativerend en het lot aanvaardend, met humor en ironie”. Ik schreef hem terug dat mijn ziekte verschilde van de gifbeker omdat bulbaire ALS begint bij je ademhalingsspieren, maar dat ik Socrates altijd voor ogen zou hebben.