Creatief met klimaat

Meer CO2 in de atmosfeer betekent een warmere aarde. Ook klimaatscepticus Marcel Crok geeft dat plotseling toe. Alleen: hoeveel warmer precies?

Aarde foto Reuters/NASA

De PVV heeft er geen gras over laten groeien. Deze week heeft zij staatssecretaris Mansveld (milieu) schriftelijk gevraagd of die de mening deelde dat er geen wetenschappelijk bewijs is voor de stelling dat het klimaat verandert door menselijke CO2-uitstoot. „Zo neen, waarom niet, ook in acht nemende het voorliggende rapport van Crok en Lewis?”

Het ‘voorliggende rapport’ is een klimaatanalyse van Nicholas Lewis en Marcel Crok die op 6 maart in Nieuwspoort werd gepresenteerd. Lewis en Crok zijn self made-klimaatonderzoekers die menen dat de rapportages van het VN-klimaatpanel IPCC niet deugen. De Brit Lewis, voorheen werkzaam als financieel expert, publiceerde eerder over onjuist gebruik van statistiek in het klimaatonderzoek. Journalist Marcel Crok bracht in 2010 het boek De staat van het klimaat uit, waarin hij betoogde dat klimaatproblemen overdreven worden en dat het wetenschappelijk bewijs voor de menselijke invloed op het klimaat nog niet is geleverd. Staatssecretaris Joop Atsma (CDA) trok hem in 2012 aan voor het reviewen van IPCC-rapporten die net in discrediet waren geraakt.

In hun rapport A sensitive matter concentreren Lewis en Crok zich op de grootte van de door het IPCC voorspelde opwarming. Die wordt volgens hen uit onzuivere motieven overdreven. Het goede nieuws is, schrijven ze, dat een verdubbeling van de CO2-concentratie ten opzichte van pre-industrieel niveau (1750), die tegen 2100 wordt verwacht, niet zal leiden tot een gemiddelde mondiale temperatuurstijging van 3 graden, laat staan 4,5 graden, maar waarschijnlijk slechts 1,75 graden. Het staat praktisch gesproken in het laatste IPCC-rapport zelf, noteren ze, maar het is daar niet te vinden want het IPCC verstopt het.

Het moet de PVV bij tweede lezing wel onaangenaam treffen dat Crok de conclusies van het IPCC over de menselijke invloed op het klimaat inmiddels kennelijk volledig accepteert. Hij brengt er opeens niets meer tegen in. Veel belangrijker is nu de vraag, schrijven hij en Lewis, hoeveel opwarming mogelijk is onder de verschillende emissiescenario’s.

Voor hun antwoord analyseerden ze de berekeningen die diverse onderzoeksgroepen maakten aan de zogenoemde ‘evenwichts-klimaatgevoeligheid’ (equilibrium climate sensitivity, ECS). De ECS is een rekengrootheid die aangeeft met hoeveel graden de mondiale temperatuur zal zijn toegenomen als de concentratie van het broeikasgas CO2 is verdubbeld en de aarde in evenwicht is geraakt met deze nieuwe CO2-waarde. Omdat daar eeuwen overheen gaan en het ook onwaarschijnlijk is dat de CO2-concentratie stabiliseert zodra zij is verdubbeld, heeft de ECS voornamelijk theoretische betekenis. Maar het is een inzichtelijke maat voor de gevoeligheid van de aarde voor een verstoring van de balans tussen de hitte die de zon instraalt en de warmte die de aarde zelf weer naar de ruimte zendt. Op die stralingsbalans is niet alleen CO2 van invloed, maar ook andere broeikasgassen en stof, of veranderingen in zonneactiviteit of ijsbedekking.

Beste schatting

Lewis en Crok laten zien dat er iets vreemds aan de hand is met de uitkomsten van al het rekenwerk aan de ECS. De eerste schattingen uit 1979 legden de marges van de ECS-waarde op 1,5 en 4,5 graden. En nu, 35 jaar later, wordt nog stééds aangenomen dat de ECS ergens tussen de 1,5 en 4,5 ligt. Het IPCC-rapport van 2007 maakte er even 2,0 tot 4,5 van, maar vorig jaar bleek de ondergrens opeens weer gezakt. Blijkbaar wordt er rekening mee gehouden dat de ECS ook wel eens laag kan zijn, dus dat de opwarming kan meevallen. Intrigerend is verder dat het IPCC inmiddels geen beste schatting (best estimate) meer opgeeft van de ECS-waarde. Een tijd lang lag die mooi in het midden (dus 3 graden), nu zwijgt men erover.

Het is de verdienste van Lewis en Crok deze kwestie expliciet gemaakt te hebben, want het IPCC zelf heeft er in zijn vermaarde ‘samenvatting voor beleidsmakers’ maar een dun voetnootje aan besteed. Er staat tegenover dat de manier waarop de twee tot de conclusie komen dat de ECS-waarde waarschijnlijk laag zal zijn (dus 1,75 graad) geen weerklank heeft gevonden in wetenschappelijke kring.

Er zijn verschillende methoden om de grootte van de ECS te schatten. De paleo-methode leidt haar af uit de vermoedelijke mondiale temperatuur tijdens de ijstijd en die van tegenwoordig en schattingen over de veranderde stralingshuishouding. Je kunt ook klimaatmodellen ‘laden’ met een verdubbelde CO2-concentratie en die net zo lang laten door rekenen tot de aarde in evenwicht is gekomen met de CO2-verdubbeling. De instrumentele methode analyseert de met thermometers geregistreerde opwarming van de laatste 150 jaar, met aannames over de meest waarschijnlijke stralingsinvloeden van broeikasgassen, stofdeeltjes, vulkanen en variabele zonneactiviteit.

De Brit Jonathan Gregory leidde in 2002 een ECS-waarde af uit een simpel energiebudget. Hij berekende hoeveel warmte de oceanen sinds 1860 hadden opgenomen, hoeveel de mondiale temperatuur was gestegen en wat zich aan broeikasgassen in de lucht had opgehoopt. Na wat correcties voor verkeerde aannames is zijn aanvankelijke hoge uitkomst herleid tot de waarde 1,8 graden. Lewis en Crok roepen deze berekening uit tot de ‘gouden standaard’. Daarna maken ze korte metten met de meeste andere berekeningen.

In het verlengde van de eerdere beschouwingen van Lewis betogen ze dat die berekeningen vaak fundamenteel tekortschieten omdat er a priori aannames worden gemaakt over grootheden die men nu juist berekenen wil. Daar zit een gevaarlijk cirkeleffect in. Lewis en Crok hebben alle ECS-berekeningen met deze zwakte als onbruikbaar verworpen. Veel oude berekeningen worden verder van tafel geschoven omdat ze door nieuwe metingen zijn ingehaald. Dit betreft vooral het veronderstelde koelend effect van aerosolen (stofdeeltjes en fijne druppeltjes) en de warmteopname van oceanen. Het is aardig om Crok te zien exerceren met de opwarming van oceanen, waar hij in 2010 nog stelde dat de oceanen helemaal niet opwarmen.

Willekeur

Het zijn nieuwe studies die gebruik maken van temperatuurmetingen aan atmosfeer en oceaan zegt, desgevraagd, KNMI-klimatoloog Rob van Dorland, waardoor de ondergrens van de ECS opnieuw op 1,5 is gezet. Daar is niets geheimzinnigs aan. Dat het IPCC geen best estimate van de ECS wil geven is ook niet vreemd. Het blijkt dat de vele ECS-berekeningen die inmiddels beschikbaar zijn zich rond twee waarden centreren: 2,2 en 3 graden. Dan is geen beste schatting te geven. Maar de onzekerheden zijn nog steeds zo groot dat de range van 1,5 tot 4,5 gehandhaafd blijft. „Ik ben het met Crok en Lewis eens dat het IPCC dit beter had moeten uitleggen.”

Van Dorland ziet willekeur in de manier waarop Lewis en Crok hun favoriete ECS-berekeningen selecteerden en andere verwierpen. En: „Het werk van Jonathan Gregory is heel mooi, maar het is niet wezenlijk beter dan andere benaderingen. En Gregory zelf heeft laten zien dat zijn berekening door de gebruikte methode consequent aan de lage kant van het spectrum uitkomt.”

Verder laat Van Dorland weten geen enkel opmerkelijk nieuw punt in A sensitive matter te hebben ontdekt. „Zelfs die waarde 1,75 is eigenlijk helemaal zo extreem niet. Jammer dat ze hun beschouwingen niet peer reviewed hebben gepubliceerd, dan was er debat over ontstaan.”

    • Karel Knip