Burgers vertrouwen de democratie, niet de verkiezingen

Burgers geloven steeds minder in verkiezingen, maar houden nog altijd van de democratie. Dat klinkt tegenstrijdig – en toch is het een tendens die David Van Reybrouck al enige tijd signaleert. En die hij bevestigd zag bij de verkiezingen van afgelopen woensdag. De uitslag bevatte alle symptomen van wat hij het Democratisch Vermoeidheidssyndroom noem: dramatische verschuivingen, wantrouwen tegen de gevestigde partijen, een lage opkomst. „Maar je moet kiezersverzuim vooral zien als een blijk van wantrouwen jegens de procedure – verkiezingen – en niet tegen het systeem. Er is een blijvend verlangen naar democratie. Het debat tijdens de verkiezingscampagne ging over de dreigende lage opkomst en ik heb geen enkel pleidooi gehoord voor meer technocratie in de politiek. De democratische waarden zijn niet in gevaar.”

Van Reybrouck denkt niet dat er op dit moment onder burgers sprake is van apathie. „ Eerder het omgekeerde. Er is heel veel betrokkenheid. Het probleem is de beperkte inspraakprocedure van eens in de vier jaar verkiezingen”. In zijn boek Tegen verkiezingen, waarvoor hij gisteren bekroond werd met de Henriëtte Roland Holstprijs, legt Van Reybrouck uit hoe al dat verborgen engagement aangeboord kan worden voor de democratie: door de introductie van een systeem van loting. Burgers zouden, net als bij burgerjury’s in de rechtspraak, eens in de zoveel tijd opgeroepen moeten worden voor burgerparlementen of ‘consensusconferenties’ met beroepspolitici. „Zodra burgers de kans krijgen hun ideeën toe te lichten en gehoord te worden, zijn ze veel meer bereid tot participatie. De inspanning is groter, maar de bereidheid om mee te doen ook. Om het op z’n Vlaams te zeggen: het sop moet de kool waard zijn.”