De coalitie wordt altijd afgestraft – maar nu wel héél erg

Regeren maakt impopulair – dat is een ijzeren wet in de Nederlandse politiek. In de laatste decennia wonnen regeringspartijen slechts twee keer bij de gemeenteraadsverkiezingen: in 1974 en 1998. In beide gevallen waren de economische omstandigheden exceptioneel goed.

Toch was de straf die PvdA en VVD afgelopen woensdag voor hun regeringsverantwoordelijkheid kregen, ongekend. Conclusie: regeren is moeilijker dan ooit. Kiezers zijn niet bereid partijen tijd te geven om met goede resultaten te komen. De Vlaamse auteur David Van Reybrouck, die sinds enige tijd ijvert voor meer burgerparticipatie, ontwaart dan ook een nieuwe scheidslijn in de Nederlandse politiek: „Je ziet twee soorten politieke partijen. Aan de ene kant de klassieke partijen die nog de moed hebben om te regeren, aan de andere kant jonge partijen voor wie het meer loont om langs de kant te blijven staan. Vroeger was de inzet van álle partijen: deelnemen aan de macht. Dat is niet meer zo.” De gevolgen voor de democratie, zegt Van Reybrouck, zijn „dramatisch”: het bestuur is van een steeds smallere basis afhankelijk.

Oppositievoeren is trouwens óók moeilijker dan ooit, zo bleek afgelopen woensdag. Sinds het Herfstakkoord bestaat de oppositie in de Tweede Kamer uit drie smaken: constructief, aarzelend en ronduit tegen. De winnaars van de raadsverkiezingen zijn afkomstig uit groep één en groep drie: de ‘meest geliefde oppositiepartijen’ D66, ChristenUnie en SGP, en de luide neezeggers van SP en PVV. De partijen in het midden, CDA en GroenLinks, boekten licht verlies. „Wat werkt, is óf meeregeren met de coalitie, of je er keihard tegen verzetten”, zegt politicoloog Marcel Boogers.