Reizen langs kronkels van psychiatrische patiënten

Waarom slikken auteurs van psychiatrische boeken de woorden van patiënten zo vaak als zoete koek? Drie pogingen de kloof te beslechten met patiënten die leven met een ongefilterd brein, maar daarom nog niet heilig zijn.

Foto Thinkstock

Afstand en nabijheid blijven boeien. De woorden waar psychiaters al decennia mee worstelen in de omgang met patiënten, bezorgen ook schrijvers hoofdbrekens. De psychiatrie met al zijn fascinerende ziektebeelden is een dankbaar onderwerp binnen de literatuur, maar wat als een boek geen fictie is maar feit? Iemand met een gebroken been kan redelijk ongehinderd over zichzelf nadenken, maar moet je een psychiatrisch patiënt op zijn woord geloven als het om zijn leven of zijn aandoening gaat, of is een zekere afstand nodig? Een filter als het ware, waarbij de schrijver zichzelf naast de lezer plaatst en zijn kanttekeningen bij het verhaal plaatst, vertelt welke impact de woorden op hem hadden zodat de gezonde mens het verhaal van een ziekte kan begrijpen, misschien zelfs kan meevoelen?

Vroeger was het duidelijk: de dokter had altijd gelijk, want de patiënt was ziek in zijn hoofd. Toen in de jaren zestig de Antipsychiatrie losbarstte, vervaagden die oude grenzen. Want wie was er eigenlijk ziek? Depressie betekende dat iemand overgevoelig was voor de verziekte maatschappij, en schizofrenie – ook bekend als Psychose Gevoeligheid Syndroom – was een teken van overenthousiaste creativiteit. Inmiddels is men daarvan teruggekomen, maar voor artsen en biografen blijft de vraag: wie is de baas van het verhaal van de patiënt? Is al zijn denken ‘verziekt’, of is elke gedachte waardevol (zijn de gedachten van de auteur gezond)?

In Zal ik u eens wat zeggen? gebruikt Roger Wind afstand als hulpmiddel bij het beschrijven van zijn werk als geestelijk verzorger in de psychiatrie. Deze verzamelde columns verschenen eerder in het Friesch Dagblad en tonen fraai zijn dagelijkse ontmoetingen met psychiatrisch patiënten. Wind pretendeert niet dat hij in hoofden kan kijken, heeft geen verklaringen voor gedrag, maar observeert geduldig en beschrijft ook het effect dat de patiënten op hem hebben. Als gekte onmeetbaar is, dan plaatst Wind als verteller er een menselijke maat naast. Maar dat is wel zíjn maat.

Het resultaat is prettig leesbaar, maar ook wat belegen. De schrijver neemt de lezer nadrukkelijk bij de hand; de interpretaties glijden als hapklare brokjes naar binnen. Soms worden ze even gehinderd door een preek, maar de strekking is hetzelfde: de lezer komt niet verder dan het hoofd van de schrijver. De sprong naar wat er in het hoofd van de ander omgaat blijft giswerk. Dat gaat wringen, omdat het juist over de geestelijke toestand van die ander gaat.

Vlammend betoog

Als Wind samen met Johan, een man met ernstige schizofrenie, eindelijk weer op bezoek gaat bij diens vader, steekt deze een vlammend betoog af over het leven. Tegen de geestelijk verzorger, niet tegen zijn zoon. De vader: ‘De mensen begrijpen zo weinig. Iedereen zou eens moeten worden opgenomen in de PZ [psychiatrisch ziekenhuis] of in een ziekenhuis. Dan zou er wel meer begrip zijn. […] Dat heb ik van hem geleerd.’ Hij wees naar Johan die nog geen woord had gezegd. ‘God discrimineert niet.’ Op de terugweg zei Johan: ‘Hij praatte tegen jou, maar hij had het tegen mij.’

Aangrijpend, omdat het een glimp laat zien van de impact van een aandoening op een gezin, en omdat de patiënt deze impact ondanks zijn ziekte ook beseft. Dat alleen is al stof genoeg om een boek mee te vullen, zodat de lezer niet alleen de gebeurtenissen voor zich ziet, maar ook de emotionele lading daarachter.

Een boek dat de sprong van patiënt naar lezer wél weet te maken, is het autobiografische Brein in brand van Susannah Cahalan. Niet alleen was zij zelf patiënte, maar als journaliste was ze ook in staat om naderhand haarscherp het afglijden in psychoses, waandenkbeelden en epileptische aanvallen te reconstrueren. Knap, want wanen en psychoses laten zich veel minder makkelijk invoelbaar maken dan een depressie. Als je nooit iets anders hebt waargenomen dan de werkelijkheid, hoe beschrijf je het dan als plotseling niets onwerkelijker wordt dan diezelfde werkelijkheid? Vaak lossen schrijvers dit op door de eindeloze reeksen woord- en beeldassociaties weer te geven die bij wanen en psychoses horen en die voor de lezer doorgaans net zo nuttig zijn als de mededeling: de hoofdpersoon is nu even psychotisch tot halverwege pagina 132.

Ook Cahalan ontkomt er niet aan, bijvoorbeeld als ze na de eerste tekenen van haar ontsporing tijdelijk bij haar vader intrekt: ‘Een schilderij van de ondertekening van de Onafhankelijkheidsverklaring gonsde van de activiteit. Boven de haard kwam een groot olieverfdoek van een spoorwegtafereel tot leven; de trein stootte toefjes steenkoolachtige smog uit. De buste van Lincoln leek me te volgen met zijn diepliggende ogen. Het poppenhuis dat mijn vader voor me had gemaakt toen ik klein was, was behekst.’ Zulke opsommingen geven een goed beeld van hoe ontwrichtend een psychose is. Doordat Calahan fragmenten kort houdt, krijg je als lezer de tijd om ze te verwerken. Het maakt de hersenstormen inzichtelijk èn invoelbaar.

De moed om kritisch naar zichzelf te kijken zorgt voor een compleet beeld van een complexe aandoening en maakt van haar als patiënt iemand van vlees en bloed, ook als ze er in haar wanen heilig van overtuigd is dat haar vader een moordenaar is. Door de zelfkritiek ontstijgt het boek het niveau van de reisgids langs vreemde hersenpannen met het ziektebeeld als een exotische cultuur. Een psychiatrisch patiënt is geen vreemde beschaving, maar de poortwachter van die beschaving; een individu met maar één interpretatie van de wereld, die de poort op slot houdt en er alleen maar over kan vertellen. En dan moet een toehoorder kritisch blijven.

Soms lukt dat ook niet. In de biografie Vandaag koop ik alle kleuren schrijft Karin Anema over Twan en zijn leven met schizofrenie. Het boek laat op overtuigende wijze zien hoe nietsontziend deze aandoening het leven van een patiënt kan ontwrichten. Ook de lezer krijgt het echter aardig voor zijn kiezen. Waar Wind koos voor de rol van de toeschouwer die noteert en meevoelt, en Cahalan als hoofdpersoon haar eigen gedrag kritisch bestudeerde, schrijft Anema in ik-vorm volledig vanuit het hoofd van Twan.

Als lezer krijg je al snel door dat een schizofreen hoofd niet de eenvoudigste plek is om in te wonen. Twan heeft na de eerste jaren met wanen en psychoses vooral last van de zogenaamde negatieve symptomen: emotionele afvlakking, snel overprikkeld raken en chaotisch communiceren, problemen met sociale contacten onderhouden en daar tegelijkertijd juist naar verlangen: ‘Vergelijk me maar met een wild dier dat altijd afstand houdt, maar toch wel geaaid wil worden. Ik ben een verdwaalde romanticus.’

Het is een hoofd vol tegenstrijdigheden en die stromen ongehinderd over de pagina’s. Als iemand over zijn ziekte gehoord blijkt te hebben, is dat het bewijs van samenzweringen, maar als ze er niets van weten, dan is dat een teken van desinteresse. Als mensen die vroeger onder zijn psychoses hebben geleden hem ontwijken, komt dat door arrogantie, maar als hij na vele jaren zelf een medepatiënt uit de inrichting tegenkomt, is zijn reactie: ‘Wat zal het dorp er wel niet van denken als ik met deze vreemde vogel een praatje maak? Te riskant. […] Met mijn hoofd naar beneden fiets ik door.’ De tegenstrijdigheden van zijn wereldbeeld lijken nergens tot hem door te dringen.

Verwijdering

Anema schrijft het op alsof het de hele waarheid is. Iedere vorm van distantie tussen lezer en hoofdpersoon is verdwenen, maar gek genoeg zorgt juist dát voor verwijdering. Twans gedachten vloeien bijna rechtstreeks op het papier, het resultaat is een taaie massa zonder enige vorm van lucht. Niet dat een psychose ‘opgeleukt’ moet worden of dat een schrijver een opname zou moeten trivialiseren, maar een interviewer moet kritisch blijven en op onlogica en tegenstrijdigheden wijzen. Een psychiatrisch patiënt is niet heilig; dat iemand ‘gek’ is betekent niet dat hij altijd gelijk heeft. Ook gekte kent haar eigen logica, wetten van oorzaak en gevolg, en juist die vormen voor de lezer de houvast in de reis door andermans brein.

Maar misschien hebben we allemaal die filters nodig om het onbegrijpelijke begrijpelijk te kunnen maken. Misschien is de mens helemaal niet zo goed uitgerust voor ongefilterd leven. Misschien is dat ook waarom de psychiatrisch patiënt zo’n dankbaar onderwerp is voor fictie; het filter van het verhaal gunt de lezer niet alleen een blik in het hoofd van de hoofdpersoon, maar het geeft diezelfde hoofdpersoon ook een vaste plek in zijn levensverhaal. En in tegenstelling tot non-fictie is die rol binnen fictie doorgaans niet alleen die van slachtoffer. Misschien ligt daar de echte uitdaging voor het psychiatrische boek; niet kritiekloos de ziekte de hoofdrol geven, maar juist de mens in het centrum van zijn verhaal zetten. En dan graag een grandioos verhaal, niet beperkt door waan of werkelijkheid; een Joe Speedboot met in plaats van een raar armpje een rare kronkel in zijn hoofd.

Psychiatrische aandoeningen zijn eng, afwijkend en ze zijn raar, maar als je ziet dat de ‘normale’ schrijver na de eerste pagina’s nog steeds leeft, en een half boek later zelfs in staat is om een band op te bouwen, dan kan dat wilde dier uiteindelijk misschien toch nog geaaid worden.

    • Myrthe van der Meer