O, Louis, oftewel Borsts Van Gaalverlangen

Nu zelfs de paralympiërs uit Sotsji zijn vertrokken en nog niemand warm lijkt te lopen voor het goede en ernstige De leugens van Lance van Juliet Macur, begint de sportboekenmarkt aan de warming up voor het WK. Zo zijn er al twee boeken over de Braziliaanse neoster Neymar (die met dat gekke haar), waarvan je vreest dat ze nog voor de openingswedstrijd in de ramsj belanden.

Het eerste wereldkampioenschapsboek in de Bestseller 60 (deze week nummer 13) is O, Louis van Hugo Borst. Dat is logisch. Van Gaal is een van de origineelste en merkwaardigste voetbaltrainers van Nederland en Borst is een van de origineelste en merkwaardigste voetbaljournalisten van Nederland. U raadt het: O, Louis is een merkwaardig boek.

Eigenlijk wilde Borst een boek over Marco van Basten schrijven, maar dat durfde hij niet. Toen dacht hij aan een biografie van Louis van Gaal, maar daar zijn er al veel van. Dus werd het een impressionistisch verslag van zijn eigen obsessie met Van Gaal. Want: ‘Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan Louis van Gaal denk. Dat is niet normaal natuurlijk. De man is mijn vriend noch mijn vader [...] Pa stierf op 13 augustus 2008, ook hij is elke dag in mijn gedachten, gelukkig vaker dan Van Gaal.’

Al toen hij met zijn vader naar de wedstrijden van Sparta ging, zag hij Van Gaal daar spelen – en de baas spelen. Daarna legde Borst een traject af dat veel journalisten met hem delen: ruzie met Van Gaal, bewondering voor de trainerskwaliteiten van Van Gaal en een sterke behoefte aan waardering door Van Gaal. Zijn zoektocht voert hem langs hele en halve deskundigen, zoals opperkomiek André van Duin, die zegt: ‘Ik weet zeker dat-ie weet waar de lach zit. Hij heeft geen repertoire of zo. Hoewel, hij leest weleens een gedicht voor. Hij is niet bewust grappig, maar hij ís grappig. Nogmaals, Van Gaal weet waar-ie mee bezig is.’ De passage laat de kracht en de zwakte van O, Louis zien. André van Duin interviewen over Van Gaal is een briljant idee, maar Borst kiepert het resultaat van zijn gesprek veel te ongefilterd over zijn lezers heen. In andere hoofdstukken werkt dat wel, bijvoorbeeld als regisseur Luc Perceval uitlegt waarom een regisseur of een trainer uiteraard liever met jongeren werkt dan met grote sterren. Soms vergeet Borst zichzelf en belandt hij in het verongelijkte register (‘ik en vele voetbaljournalisten met mij’), dan weer loopt hij superieur te husselen met zijn gêne voor een oude kruiperige brief aan Van Gaal.

O, Louis had briljant kunnen zijn: met het samenspel tussen de ijdelheden van auteur en onderwerp, de suggestie dat Borsts Van Gaalverlangen iets met zijn vader te maken heeft, de vreemde verhouding tussen Borst en zijn vriend/collega Leo Verheul. Onder de oppervlakte voel je een geweldige autobiografische roman – struggling to get out. Maar dan had Borst langer moeten schaven, indikken en herschrijven – vermoedelijk tot na het begin van het WK.