Met pas 675X829 houd je de hele late Reve in handen

Te laat, gewoon te laat. Woensdagavond pas vond ik het giropasje van Gerard Reve, rekeningnummer 2888136, pasnummer 675X829. Met handtekening – geldig tot 6/99. Zomaar te koop op een veilingsite, samen met het keurige blauwe hoesje dat de Postbank zijn klanten gaf om de magneetstrip te beschermen. O ja, plus een eerste druk van De avonden. Maar ook: al weg. Het hoogste bod was 110 euro. Voorbij de kans om eens echt dicht bij Reve te zijn. Want een giropasje is niet zomaar een object: met zijn bankrekening houd je feitelijk he de kern van de late Reve in handen.

Daarbij komt dan het grote mysterie: hoe is dat pasje op een veiling beland? Heeft de Volksschrijver, die in 1999 al behoorlijk in de war was, zijn pasje in de Geheime Opening van een automaat laten zitten? Heeft hij een meedogenloze jongen zijn Pas & Code toegestopt in ruil voor bepaalde diensten? Werd Reve Gerold? (De rekening bestaat niet meer: een ING-computer meldt dat het ‘niet mogelijk’ is om geld naar dit rekeningnummer over te boeken.)

Reve verkoopt trouwens amper nog. Bij de kavels met prijsprognose bleef de opbrengst achter bij het verwachte minimum. Ik had mijn luciferdoosje van Harry Mulisch al jaren geleden moeten laten veilen. Want inmiddels beginnen na Mulisch en Reve nu ook de mulischianen en revianen te sterven. Dus wordt de markt overspoeld door eerste drukken, pijptabaksresten, teennagels en andere literair-historische parafernalia. Van de ouderen; want in de onderhoudende bundel Achter namiddagen van Christiaan Weijts las ik dat hij na verschijning van een boek een mailtje krijgt van De Arbeiderspers met het verzoek of ze het manuscript aan het Letterkundig Museum kunnen aanbieden. Als dat het bestand niet wil, wordt het gedeleted. Kun je nagaan hoe weinig belangstelling volgende generaties zullen hebben voor, zeg, de brillenkoker van Weijts. Hoewel? Weijts’ beste boek verschijnt over zes jaar, in zijn 44ste levensjaar.

Dat weten we dankzij de econometrist prof.dr. Philip Hans Franses (misschien kan Weijts met die naam nog voor een personage gebruiken) die becijferde wanneer Nobelprijswinnaars hun beste boek schreven: dat is op 0,57 van hun leven en dan is de gemiddelde Nobelprijswinnaar bijna 44. Je weet meteen waarom sommige schrijvers nooit de Nobelprijs winnen. Harry Mulisch was op zijn 43ste druk met De verteller, Hugo Claus had zijn Wolkersroman -voor-intellectuelen Het jaar van de kreeft net af en W.F. Hermans maakte het bijzondere, maar intens provinciale Mandarijnen op zwavelzuur. Hoop is er voor Arnon Grunberg (43, werkend aan een boek over zijn moeder) en Peter Terrin (Post Mortem met 44).

Overigens is Philip Hans Franses zelf al vijftig: waarschijnlijk zal zijn schrijversleeftijdsonderzoek door latere generaties als een minor work worden beschouwd. Maar zijn bankpas komt in het Econometrisch Museum.