Let op, er dreigt iets onderhuids

In het laconiek, observerend proza van deze verhalen knetteren de woorden alsof ze onder stroom staan. Kafka is nooit ver weg, ook hoor je de echo van Beckett. Laat u meesleuren in griezelige ontsporingen.

Veel van de verhalen van Lydia Davis kennen een ondertoon van ontsporing en dreigende gekte Foto Adam Nadel/Polaris

In haar korte, nog kortere en ultrakorte verhalen presenteert de Amerikaanse schrijfster Lydia Davis (1947) fragmenten van een wereld die we herkennen – maar zonder dat die herkenning ons geruststelt. Ook in haar derde bundel, De taal van dingen in huis, beschrijft ze gebeurtenissen en hersenspinsels op de inventariserende toon van iemand voor wie alle details tellen, omdat niets vanzelf spreekt. En net als in haar vorige bundels werkt dat vervreemdend: eenvoudige voornemens en alledaagse handelingen kunnen leiden tot ingewikkelde interacties waarbij labyrinten worden betreden die misschien wel helemaal geen uitgang hebben.

Maar wat het proza van Davis echt interessant maakt, is dat ze het niet bij die vervreemding laat. Veel van haar verhalen kennen een ondertoon van ontsporing en dreigende gekte. Tussen de regels van het laconieke, observerende proza door moeten alle zeilen worden bijgezet om de waanzin buiten de deur te houden. Zo worden ook luchtige anekdotes een zaak van leven of dood, en die urgentie geeft Davis’ proza kracht en spanning, juist doordat Davis sentimentaliteit geen kans geeft. Hier en daar knetteren de woorden alsof ze onder stroom staan. Kafka is nooit ver weg, ook hoor je de echo van Beckett.

Gewoontes

Een voorbeeld van die ontsporende waanzin is een van de eerste verhalen uit De taal van dingen in huis, ‘Idee voor een plaatje’. Het verhaal begint met het idee dat elke treinpassagier eigenlijk een klein plaatje zou moeten dragen waarop hij gewoontes vermeldt die al dan niet storend zouden kunnen zijn voor andere passagiers. Vervolgens begint de verteller met een opsomming van wat er op zíjn bordje zou komen te staan, iets wat leidt tot een lijst van anderhalve pagina waarin hij zich in details verliest. (‘Zal vroeg of laat iets eten, meestal een broodje, soms een salade of een bakje rijstpudding, of eigenlijk twee bakjes rijstpudding, maar wel kleine.’)

Wanneer we deze nieuwe bundel vergelijken met haar voorgangers, Bezoek aan haar man en Varianten van ongemak (die inmiddels onder de titel Verzamelde verhalen in één band zijn uitgebracht) vallen een paar verschillen op. Zo bevat De taal der dingen in huis een aantal korte droomverslagen. En ook nam Davis bewerkte fragmenten op uit brieven van Flaubert (wiens Madame Bovary ze in het Engels vertaalde). Deze brieffragmenten hebben betrekking op het raadselachtige gedrag van normale mensen en sluiten dus goed aan bij het universum van Davis.

Een ander opvallend verschil met de vorige bundels is dat De taal van dingen in huis meer korte tot ultrakorte stukken bevat. Sommige daarvan zijn zó beknopt, dat ze balanceren op de smalle grens tussen volheid van betekenis en volstrekte banaliteit. Zie bijvoorbeeld het verhaal ‘Huishoudelijke observatie’: ‘Onder al dit vuil/ is de vloer eigenlijk heel schoon.’ Op hun best verschaffen die korte stukjes onvermoede inzichten, op hun slechtst klinken ze als een mislukte imitatie van de poëzie van K. Schippers.

De ideale omvang van een Davis-verhaal lijkt twee, drie pagina’s: kort, geconcentreerd, glashelder, en lang genoeg om de anekdote te ontstijgen. Toch zijn de genoemde kenmerken van Davis’ proza (de inventariserende blik, vervreemding, dreigende ontsporing) ook allemaal terug te vinden in de drie lange verhalen in deze nieuwe bundel. En misschien komen ze daar wel het best tot hun recht, omdat ze zijn opgenomen in een groter geheel, dat niet alleen frappeert of verbaast, maar ook kan meeslepen en, jawel, ontroeren.

In het eerste lange verhaal, ‘De koeien’, beschrijft Davis het gedrag van drie koeien, die het weiland bevolken waar ze vanuit haar studeerkamer op uitkijkt. Deze uitgebreide inventarisatie resulteert in een schijnbaar emotieloze opsomming – schijnbaar, want die emotieloosheid wordt gelogenstraft door de aandacht waarmee de gedragingen van de koeien veertien pagina’s lang worden genotuleerd. Die uitgebreide aandacht zorgt voor groeiende raadselachtigheid, vergelijkbaar met de vervreemding die optreedt wanneer je een volstrekt normaal woord maar lang genoeg herhaalt.

Halfzus

In het vijfentwintig pagina’s tellende verhaal ‘De zeehondjes’ denkt de vertelster tijdens een treinreis terug aan haar te vroeg overleden halfzus, die als een moeder voor haar was. Deze elegische herinneringen vormen het meest traditionele verhaal uit de bundel, maar ook hier blijft veel onduidelijk. Zo blijkt pas gaandeweg het verhaal welke familieband de vertelster precies met de overledene onderhield, en waar is ze eigenlijk naar op weg met de trein?

Het langste verhaal, ‘De brief aan de Stichting’, bestaat uit de bedankbrief die een wetenschapper schrijft aan de Stichting die haar een beurs heeft toegekend. De woorden van de briefschrijfster krijgen al snel de neurotische ondertoon van iemand voor wie ook alledaagse gebeurtenissen grote obstakels vormen en gaandeweg ontspoort het bedankje steeds meer, tot het verandert in een schrijnend relaas van een onzekere en teleurgestelde vrouw die had gehoopt dat het geld van de beurs haar leven zou veranderen, maar die niet weet te ontsnappen aan haar baantje als universitair docent – een baantje dat ze eigenlijk helemaal niet aankan.

Ook in dit verhaal wordt veel niet uitgelegd. Zo komen we er niet achter met wat voor onderzoek de docent zich bezighoudt en om wat voor Stichting het eigenlijk gaat. Juist dit gebrek aan informatie vergroot de Kafkaëske beklemming die het verhaal oproept, alsof de briefschrijfster gevangen zit in een bijna abstracte wereld, waartegen ze geen verweer heeft.

Zo blijft er in de beste verhalen van Davis altijd wel iets in het ongewisse. Daardoor ontstaat er een onderhuidse dreiging, die je als lezer bij de les houdt. Opeens herken je de wereld als iets dat je eigenlijk helemaal niet kent.

    • Rob van Essen