Klopjacht tussen de koeien

Mijn vader staat mij vandaag weer te bewonderen. Ik heb hem verteld dat ik de laatste tijd een veel betere scheids ben geworden en dat wil hij graag met eigen ogen zien.

Het is een gezapig, doelpuntloos duel. Tot nu toe ben ik nauwelijks op een fout te betrappen en de drie gele kaarten die ik het afgelopen uur uitdeelde, werden dan ook zonder al te veel protest in ontvangst genomen. Papa kan tevreden zijn.

De bal rolt, de zon schijnt en de supporters langs de lijn lijken het net als de meeste spelers op het veld allemaal wel best te vinden. Na de wedstrijd staat er een lokale volkszanger op het programma en of het eerste elftal dan gewonnen of verloren heeft, doet er blijkbaar niet zo toe. Het bier zal hoe dan ook wel smaken, de sfeer zal vast en zeker prima zijn.

Twee tegenstanders staan nogal dicht bij elkaar. Terwijl de bal over hen heen zeilt, zie ik het vanuit een ooghoek gebeuren. De ene speler slaat zomaar ineens met zijn vuist op het hoofd van de andere speler. De getroffene valt op de grond en zijn belager begint als een wildeman op hem in te trappen.

Ik blaas twee, drie keer keihard op mijn fluit, trek de rode kaart uit mijn kontzak en spurt erop af. Maar ik ben niet de enige die zich ermee bemoeit. De meeste teamgenoten van het slachtoffer sprinten naar de plotseling ontspoorde speler die op zijn beurt het dreigende gevaar ziet aankomen en op de vlucht slaat.

Met de rode kaart nog altijd in de hand ben ik getuige van een ware klopjacht. Eén doodsbange man voorop, een stuk of tien furieuze woestelingen achter hem aan. Ik kijk met open mond toe hoe de opgejaagde over een reclamebord springt, precies daar waar mijn vader staat. Een tweede sprong brengt hem over het slootje erachter en op het weiland ernaast. Hij rent dwars door een onverstoorbaar grazende kudde koeien, zijn achtervolgers springen achter hem aan.

Dan zie ik hoe mijn vader ondanks zijn pensioengerechtigde leeftijd ingrijpt. Zonder aarzelen pakt hij een van die bezetenen vast en probeert hem tegen te houden.

Na een paar minuten is het spektakel voorbij. De betrokkenen zijn enigszins gekalmeerd en voor het eerst in mijn carrière staak ik een wedstrijd. Het uitteam kan onder begeleiding het sportcomplex verlaten, de beloofde artiest mag vanuit de kantine zijn vrolijke meezingers ten gehore brengen.

Wanneer ik bij thuiskomst het avontuur vertel, vraagt mijn vriendin hoe ik me voelde, of ik bang was. Ik schud mijn hoofd. Al die agressie ging vandaag nou eens een keertje niet om de scheids, dus er was geen enkele reden tot angst. Het enige wat ik voelde was trots.

„Trots?”, vraagt mijn vriendin verbaasd.

Ik knik, het is die vader van mij. Voor even was hij weer de stoerste en sterkste papa van de wereld.

    • Menno Fernandes