Ja, maar kernmachten zijn veel groter gevaar

Regeringen hebben 20.000 kernkoppen, genoeg om de aarde meerdere keren op te blazen. Zij, niet terroristen, vormen het echte gevaar, aldus Achin Vanaik.

Op de eerste nucleaire top in Washington, vier jaar geleden, pakte president Obama onder applaus van de deelnemende leiders welsprekend uit over de gevaren van nucleair terrorisme. Wat is er sindsdien gebeurd? Terwijl er van geen enkele terreurgroep een noemenswaardige kerndreiging uitging, liep het vaart met atoombewapening.

Sinds 2010 hebben India en Pakistan hun atoomarsenalen uitgebreid. De VS zelf zijn bezig met de opwaardering van hun voorraad kernwapens en werken aan een nucleair verdedigingssysteem tegen ballistische raketten. Eén ding is duidelijk: het gepraat over de verkeerde – dat wil zeggen terroristische – handen waarin kernwapens kunnen vallen, heeft doeltreffend de aandacht afgeleid van de echt belangrijke boosdoeners: de kernwapenlanden die de mondiale nucleaire janboel om te beginnen hebben hebben veroorzaakt.

We mogen niet vergeten dat vooral de VS een zeer slechte staat van dienst hebben als het om pogingen tot nucleaire chantage gaat en dat Amerika nog altijd de enige staat of groepering is die kernwapens heeft gebruikt. En ook 69 jaar na Hiroshima en Nagasaki weigert het nog steeds zich te verontschuldigen voor de twee grootste afzonderlijke terreuracties uit de geschiedenis van de mens. De overtuiging dat terrorisme door andere partijen dan landen het voornaamste nucleaire probleem van onze tijd is, wordt niet gestaafd door de geschiedenis. Het ‘terrorisme van de sterken’, oftewel van landen, heeft altijd tot een veel groter aantal slachtoffers geleid dan het ‘terrorisme van de zwakken’ – anderen dan staten.

Hieruit blijkt een fundamentele ongelijkheid in de oorlog tussen deze twee soorten partijen. Andere partijen dan staten willen en kunnen het vijandelijke land niet militair vernietigen. In plaats daarvan proberen ze de politieke wilskracht te ondermijnen en de staat zodanig te provoceren dat hun eigen sociale draagvlak niet helemaal wordt vernietigd. Een veel voorkomende uiting van niet-staatsterrorisme zijn zelfmoordaanslagen, die in de eerste plaats niet zozeer een uiting zijn van de vastberadenheid om te doden als wel om te sterven, omdat de enige zekerheid is dat iemand zal omkomen, terwijl het niet zeker is hoeveel anderen er zullen omkomen. Landen plegen geen zelfmoordaanslagen. Andere partijen dan staten hebben kortom een ingebouwde proportionaliteit in de verhouding tussen de gebruikte militaire middelen en de nagestreefde politieke doeleinden. Het omgekeerde gaat niet op. Staten kunnen geloven – en doen dat ook vaak – dat ze de ‘terroristische’ dreiging met uitsluitend militaire middelen kunnen uitschakelen en daarom is het geweld dat ze plegen vaak zoveel groter. Na 9/11 verklaarde president Bush de aanslagen niet onmiddellijk tot ‘misdaad tegen de menselijkheid’, want dan kun je alleen achter de misdadigers aan. In plaats daarvan verkondigde hij ‘een wereldoorlog tegen de terreur’, waarmee de VS voortaan overal elke willekeurige militaire actie konden ondernemen die ze nodig achtten om die zelfbenoemde oorlog te ‘winnen’. Het aantal burgerslachtoffers in Irak, ook gemaakt in naam van de strijd tegen de terreur, loopt op zijn minst in de tienduizenden. Gelet op de relatie van actie en reactie tussen de twee soorten terrorisme – van staten en niet-staten – moeten beide worden bestreden en veroordeeld.

Het enige overgebleven argument voor de onverstandige gerichtheid op het terrorisme van andere partijen dan staten is dat deze groeperingen in vergelijking met staten ‘irrationeel’ of ‘fanatiek’ zouden zijn. Maar de geschiedenis leert ook dat de meest extreme en ongehoorde misdaden allemaal door staten zijn gepleegd. Dat landen over meer middelen beschikken om zulke daden in grootse bewoordingen te rechtvaardigen, bijvoorbeeld met het oog op de ‘nationale veiligheid’ of de ‘bevordering van de democratie op de wereld’, verandert niets aan het verhaal voor mensen wier leven en gezin door gewelddaden worden verwoest.

Er zijn nog zo’n 20.000 kernkoppen, genoeg om de wereld vele malen op te blazen. Ondanks het einde van de Koude Oorlog beschikken sindsdien meer landen over kernwapens. Dit zou een waarschuwingssignaal voor de toekomst moeten zijn. Maar de top van deze maand kijkt de verkeerde kant op. In plaats van zich te richten op nucleair terrorisme van niet-staten, zouden de huidige kernmachten er beter aan doen om de aandacht op zichzelf te richten en te onderzoeken hoe we zo snel mogelijk tot mondiale nucleaire ontwapening kunnen komen – voor onze eigen collectieve veiligheid en voor die van de toekomstige generaties.

    • Achin Vanaik