Geef me de vondsten van Mahler

De hoofdpersoon van Wessel te Gussinklo’s terugkeerroman zoekt zijn heil niet bij de eeuwig wrede medemensen, maar in literatuur en liefde. Want dit is toch liefde?

Tekening Paul van der Steen

Ze bestaan nog, de denkschrijvers. Auteurs bij wie een boek niet een uitgeschreven filmscenario is, niet louter een strak gestuurde aaneenschakeling van scènes en gebeurtenissen met een vlotte plot. Een boek waarin daarentegen de hele tekst de weerslag is van de – niet noodzakelijkerwijs van tobberigheid gespeende – reflecties van de hoofdpersoon. Boeken waarvan de kern niet schuilt in wat er gebeurt, maar in wat er wordt ervaren.

Het is een vorm van denkschrijven waarin de hoofdpersoon soms amper aan handelen toekomt, omdat hij zo veel woorden aan zijn mogelijke daden besteedt. In zijn meest extreme vorm zie je het in Fernando Pessoa’s Boek der rusteloosheid, waarin de held de straat al niet meer op durft uit angst voor wat er allemaal mis kan gaan bij een eenvoudige transactie als het kopen van een tros bananen.

Twijfel en afremmende overwegingen spelen ook een centrale rol in het leven van Wander, de held (nu ja) van Zeer helder licht, de nieuwe roman van Wessel te Gussinklo (1941). In de openingszin probeert deze man zichzelf de wereld in te slepen: ‘Toch maar naar buiten de op dit late uur donkere en door het regenachtige weer dampige, vochtige straat op. Heen en weer lopen, in beweging blijven.’ Een man die zichzelf met moeite de open lucht in dwingt. Het is een tekenend begin voor het boek van een schrijver die zich na bijna twintig jaar weer in de romanwereld heeft gewaagd. In 1995 verwierf Te Gussinklo zijn plaats in de naoorlogse literatuurgeschiedenis met zijn meervoudig bekroonde (Van der Hoogtprijs, Bordewijkprijs) en genomineerde (Librisprijs) roman De opdracht, waarin een puber vergeefs probeert een plaats te vinden in de jungle van een zomerkamp.

Je zou zeggen dat om nieuw werk van de schrijver van zo’n legendarische roman gevochten wordt door de grote uitgeefhuizen, maar de grote Nederlandse uitgeefhuizen zijn tot nader order in gevecht met zichzelf. Dus is Zeer helder licht de eerste uitgave van de nieuwe uitgeverij Koppernik, in samenwerking met de ook niet bijster prominente uitgeverij Karaat. Net als in De opdracht heeft in Zeer helder licht de hoofdpersoon moeite om thuis te raken in de wereld. Wander heeft jaren gedwaald (drank, drugs, prostitutie) maar heeft zich herpakt. Hij zoekt zijn heil niet meer in de goedkeuring van de eeuwig wrede medemensen, maar in ‘de literatuur, de grootste, de hoogste, de koningin van de kunsten, want die laat zien wie we zijn, die laat het gevecht zien om te bestaan, om te overleven in de afgewende, onherbergzame werkelijkheid die niet is zoals wijzelf, die wij bekleden, die wij stofferen met cultuur om haar herbergzaam te maken. En het gevecht om onszelf vorm te geven, onszelf te scheppen tussen al dat andere en al die anderen. Het gevecht om niet misvormd te raken door al die krachten, verpletterd, verwrongen.’

Lieve woordjes

Behalve de literatuur is er de liefde. Wander is over de dertig, maar hij hunkert als een jonge Werther naar de tien jaar jongere Hanna. Zij houdt ook van hem, althans ze aait hem met lieve woordjes. Helaas zit ze onder de plak bij haar ouders: een hysterische moeder die om het geringste een scène schopt en een agressieve klootzak van een vader die niets moet hebben van de bebaarde, shagrokende, werkloze en in een wrakke Renault 4 rijdende man die het op zijn dochter voorzien heeft. (Inderdaad, Zeer helder licht speelt halverwege de jaren zeventig.) Het levert magnifieke scènes op: van de moeder die zich vergrijpt aan het portier van Wanders autootje en van het ijselijke kennismakingsbezoek in de villa van Hanna’s ouders tot de bedscène die verzandt in schrijnend onvermogen. Daar komt de indirecte stijl van Te Gussinklo helemaal tot zijn recht. Met zijn muze tussen de lakens is hij eerst nog een en al vreugde. ‘O lieverdje, wat is dit fijn, o wat is dit geweldig’. Hij observeert: ‘Onbeweeglijk lag ze naast me, geen geluid, geen beweging, zelfs ademen was niet meer merkbaar, alsof ze die inhield, wachtend op… Ach ach, ze was zo lief.’ Pas als Hanna’s onbeweeglijkheid maar niet overgaat tot enige vorm van lichamelijke aanhankelijkheid, dringt het tot Wander door dat het er niet van gaat komen. Instructie (‘haar hand begeleidend als een onderwijzer die een achtergebleven leerling bij het schrijven helpt, samen de pen vasthoudend, letters vormend, woorden.’) helpt niet. We zijn in een van de lulligste (en knapste) seksscènes van de laatste jaren beland.

Daar, in bed, begint Wander te begrijpen wat de lezer allang vermoedde: dat zijn verhouding met Hanna niet, zoals hij zich inbeeldt, rust op een hogere vorm van begrip, maar op heel veel alledaags onbegrip. En op zijn diepe verlangen om iets moois waar te nemen in een meisje waar welbeschouwd weinig opmerkelijks aan te ontdekken valt.

Zwatelzinnen

Te Gussinklo laat mooi zien hoe zijn muze er niet toe leidt dat Wander tot grote literaire hoogten stijgt, maar dat hij steeds meer probeert aansluiting te vinden bij haar en wegzakt in een moeras van zwatelzinnen waarin elk vierde woord een mierzoet koosnaampje is. Dat laatste werkt, samen met de breed uitgemeten twijfel van de hoofdpersoon, soms op de zenuwen van de lezer – hoe functioneel de ‘maar achs’ en ‘tjezissen’ ook zijn. Ook staan er woordherhalingen in de tekst die eerder rieken naar slordigheid dan naar functionaliteit. Vergeleken met De opdracht gaat het er in Zeer helder licht toch al kalmpjes aan toe.

De vraag die open blijft, is of er in deze zo intens twijfelende Wander werkelijk een kunstenaar schuilt. Een Wessel te Gussinklo, zeg maar. We weten dat hij wil schrijven als Mahler: ‘steeds het nieuwe, het andere, het nog niet eerder geziene en gehoorde – tenminste niet zo – en nergens verslapping in veerkracht en vondsten.’ Maar of het er echt van komt? We zien hem in bed de strip Suske en Wiske en de Tandeloze Tijd lezen. Bij die verwijzing naar Van der Heijden kun je van alles voorstellen: een kleine boosaardigheid, een knipoog naar alles wat Te Gussinklo de afgelopen twintig jaar had kunnen of willen publiceren,of gewoon een aardigheidje. Hoe dan ook: laat Wessel te Gussinklo zijn plaats in het zeer heldere licht niet opgeven en niet te lang wachten met het publiceren van zijn volgende roman.

    • Arjen Fortuin