Exotische indringers in de grachten

Wie in het donker in Amsterdam verdachte mannen met zaklamp in het water ziet schijnen overweegt misschien meteen 1-1-2 te bellen. Maar de kans is groot dat het onderzoekers zijn die de visstand in kaart brengen. Er zwemmen steeds meer exoten in de grachten: ‘vreemde’ vissen van buiten. Is dat erg?

Een plaats delict. Zo laat zich het vals platte talud van de Diem, de watergang die de snelweg A1 bij Diemen ondersnijdt, het beste omschrijven. Oranje neonlicht dat tussen de dubbele rijstroken door valt, beschijnt een hoopje kleren in de modder, een open krullend blik en daar schemert een lege fles. Een Tatort. Kruisje op de plaats waar het deerlijk verminkte lichaam werd aangetroffen.

Misschien dat detectivewerk niet van toepassing is op de opdracht van Edo Goverse (41) en Geert Timmermans (57). Maar speurneuzen zijn het zeker. Met hun methodisch zwaaiende zaklampen zijn ze in het ondiepe watertje op zoek naar visjes. Naar de zwartbekgrondel bijvoorbeeld. Een exoot. „In 2004 zagen we die voor het eerst hier in de regio Amsterdam”, zegt Geert Timmermans, Amsterdamse stadsecoloog. „Ze komen uit het Zwarte Zeegebied. Ze voelen zich hier uitstekend thuis.” Want, het wemelt dus intussen van de pinkgrote visjes. „Kijk, daar is er nóg één.” De lichtbundel beschijnt in het glasheldere water op een non-descript grondeltje met, jawel, een zwart bekje.

De meest gehoorde uitleg voor de aanwezigheid van de nieuwkomers is de aanleg van het Main-Donaukanaal in 1992 dat het stroomgebied van de Rijn met dat van de Donau verbindt. Dat lieten die Donau-vissen zich dus geen tweemaal zeggen en ieder jaar schoof hun verspreidingsgebied op, deze kant op. Timmermans: „En toch zijn ze waarschijnlijk meegelift met ballastwater van schepen. Want nog voor ze via de grote rivieren ons land hadden bereikt, waren ze ook al gesignaleerd in Rotterdam en Terneuzen, havenplaatsen. En in de Amerikaanse Grote Meren zitten ze trouwens ook, terwijl ze die echt niet op eigen houtje hebben kunnen bereiken.” Ballastwater kunnen schepen in grote volumes innemen wanneer ze niet volledig geladen zijn, om toch een stabiele zeegang te hebben.

Leuk, een nieuwe vissoort binnen de grens. Maar, als de eerste in 2004 is gezien en je er tien jaar later bij wijze van spreken over struikelt in Amsterdamse wateren, dan heeft dat iets onheilspellends. Timmermans: „De term ‘invasieve exoot’ is wel op zijn plaats, ja. En dan wachten we nog op de marmergrondel, Kesslers grondel en de Pontische stroomgrondel. Ook allemaal uit die contreien. We willen de populatietrends in kaart brengen, een vinger aan de pols houden.”

„Hier is er één!” Edo Goverse, onderzoeker van RAVON – Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland – plonst het water in. Met een handzaam netje schept hij een bruinig visje met een dikke, platte kop in een glazen bakje dat we hebben meegenomen. Een rivierdonderpad, een inheemse vissoort. „Die geldt”, zegt Goverse, „als uiterst zeldzaam. Hij geniet dezelfde beschermingsstatus als bijvoorbeeld de rugstreeppad.” Dat dier heeft menig projectontwikkelaar de haren uit het hoofd doen trekken: tref je dat dier op een kavel, trek dan maar een streep door je bouwplannen.

De gedachte is dat de komst van die exoten de inheemse vissen als de rivierdonderpad en de rest van het ecosysteem onder druk kan zetten. Timmermans: „Zwartbekken eten visbroed, eitjes en larven van andere vissen. En dat kan dus effect hebben op andere soorten.” Goverse: „We vrezen bijvoorbeeld een soort communicerende vaten tussen de zwartbekgrondels en rivierdonderpadden.” Beide vissoorten beconcurreren elkaar mogelijk ook om voedsel, om broedgelegenheid. En vandaar dus dat ze willen weten wat er gebeurt in de nachtelijke watertjes, als de grondels uit hun spleten en holletjes zijn gekomen.

De zwartbekgrondel is niet de enige exoot hier onder de A1. Lege schelpen van Aziatische korfmossels kraken onder onze laarzen en Amerikaanse rivierkreeften schuilen achter keien. Tijgervlokreeften, ook afkomstig van Amerika, zitten er ook. „De zwartbekgrondels eten niet alleen visbroed”, zegt Timmermans. „Ze eten bijvoorbeeld ook quaggamosselen, een schelpdier afkomstig uit Rusland. De ene exoot eet de andere exoot, dus.”

Plaats delict

We zijn intussen aangekomen bij een al even desolaat nachtelijk oord, de Diemervijfhoek, vlakbij de NUON-centrale. In de zomer kun je daar overdag aan de overkant Blijburg zien liggen zinderen, met dito reuring van surfplanken en partijtjes op het strand. Dit is echter een koude nacht. Een surveillancewagen op hondenwacht met twee dienders erin houdt vanaf honderd meter in. Niet onbegrijpelijk: we waden met lampen door de ondieptes, alsof we op zoek zijn naar een eerder geloosd vuurwapen – ook een soort plaats delict dus. De politieauto rijdt zachtjes langs en geeft dan gas. We melden altijd even als we gaan nachtvissen, zegt Timmermans, „anders blíjf je bezig met uitleggen. En het zíét er natuurlijk ook wel een beetje verdacht uit.”

Waarom eigenlijk dat ‘zaklampvissen’? Zaklampvissen klinkt als een oppervlakkige turfmethode, maar dat is het niet. Timmermans en Goverse lopen ieder in tegenover gestelde richting hetzelfde parcours langs de oever en schrijven op welke en hoeveel visjes ze hebben gezien. Een gemiddelde is zó berekend. Timmermans: „De visjes reageren hoegenaamd niet op de krachtige lichtbundel. Schepnetten zouden hoe dan ook niet werken tussen de stortstenen van het onderwatertalud.”

Om de zaklamp-‘vangsten’ statistische zeggenschap te geven, lopen Timmermans en Goverse eenmaal per maand dezelfde route, op drie verschillende plekken: hier aan de Vijfhoek, langs de Diem onder de A1 en op een locatie in het centrum van Amsterdam. „Ook een prima leefplek voor rivierdonderpadden, met al die kieren in de kademuren.” Ze zijn er in februari 2013 mee begonnen, dus van enige significante gegevens kan, door de storende effecten van de seizoenswisselingen, nog geen sprake zijn.

Je zou denken dat als die groei van die exoten doorgaat, dit een verwoestend effect heeft op de inheemse onderwaterfauna. „Nou, dat hoeft niet”, zegt Timmermans. „Je ziet het wel vaker bij exoten. Zodra die in een nieuw leefgebied aankomen en de kust in beginsel vrij voor ze is, dan zie je inderdaad in eerste instantie een spectaculaire toename van de aantallen.” Maar dat heeft ook te maken met de onwennigheid van roofdieren, zoals vogels en roofvissen, die de nieuwkomers niet herkennen als potentieel voedsel. „En daarin zien we een mogelijke omslag. We treffen zwartbekken in toenemende mate aan in de magen van snoekbaarzen. Dus die beginnen er wat in te zien.”

Vondelparkparkieten

Iets vergelijkbaars gebeurde met de halsbandparkieten die zo ongeveer het hele Vondelpark – en veel andere parken in de Randstad – al schreeuwend voor zichzelf claimden – „Indiase parkieten verjagen onze spechten!”, loeide een groot ochtendblad ooit. Maar sperwers en slechtvalken, die eerst huiverig waren om die exotische felgroene dieren met snavels als zinksnijders te pakken, schrikken er nu niet meer voor terug om af en toe zo’n herrieschopper te grijpen en toe te voegen aan het dagelijks menu van spreeuw of duif.

Toch kun je er niet helemaal op vertrouwen dat de explosieve groei langzaam wordt getemperd als inheemse roofdieren de smaak van exotische prooien eenmaal te pakken krijgen. Goverse: „Het is misschien toch niet een goed idee om alle visbarrières in waterwegen op te heffen en overal maar vispassages aan te leggen.” Met andere woorden: maak het de nieuwkomers vooral niet te makkelijk hun weg naar onze wateren te vinden.

We gaan door naar een volgende locatie in Amsterdam: het Oosterdok, tegenover het Scheepvaartmuseum; niet zozeer om wetenschappelijk verantwoord visjes te turven, maar om het nachtelijk aquarium langs de kademuren te bewonderen. Op een ondergelopen vlonder slaapt een kolos van een baars. Met open ogen en langzaam pompende kieuwen – de lichtbundel doet de vis niets. De zwartbekgrondel laat ook niet lang op zich wachten, een kleintje. „En daar nog een. En daar.” Nog een verwachte exoot klimt over de muur: een wolhandkrab, die tegenwoordig voor goed geld voor Chinese restaurants worden gevangen.

Aan de overkant van het diepzwarte water ligt De Amsterdam, een replica van een VOC-schip. Het waren dit soort schepen die honderden jaren geleden al de toen vervloekte paalworm naar onze streken haalden. Timmermans: „Je kunt verontrust zijn over de komst van exoten. Maar, en dat is zeker met vissen het geval, je kunt weinig tegen hun komst doen. Exoten horen erbij, ook in Amsterdam.”

    • Menno Steketee