Europa sloopt laatste restje bankgeheim

Luxemburg en Oostenrijk blokkeerden jarenlang de uitwisseling van gegevens van bankklanten met buitenlandse belastingdiensten, op zoek naar zwart geld. Gisteren staakten zij hun verzet.

Filiaal van de Oostenrijkse Volksbank in Wenen. Foto Getty Images

De vlag kan uit bij Europese belastingdiensten: na jaren duwen en trekken geven Luxemburg en Oostenrijk hun bankgeheim voor buitenlanders op. Vannacht, op een Europese top in Brussel, zegde de Luxemburgse premier Xavier Bettel „de bereidheid van de regering” toe.

Concreet betekent dit dat Luxemburg en Oostenrijk vanaf 2017 automatisch namen en saldo’s van EU-ingezetenen doorsturen naar belastingdiensten in EU-landen. Rente op spaargeld, dividend en royalty’s worden belast.

Tot nog toe roomden Luxemburg en Oostenrijk alleen een percentage van de spaarrente van EU-burgers af, en stuurden ze die bedragen anoniem naar EU-landen van herkomst. Andere EU-landen wisselen al sinds 2005 gegevens uit over spaarrente, en breiden dit nu uit naar dividend en royalty’s. Europees president Herman Van Rompuy noemde het bankgeheim „op sterven na dood”.

Dat Luxemburg en Oostenrijk hun bankgeheim prijsgeven, illustreert dat je met pokerdiplomatie de globalisering een tijdje buiten de deur kunt houden, maar niet eindeloos.

Hun bankgeheim dateert van ver vóór die globalisering, en vóór de EU, toen alles nog nationaal werd geregeld en mensen de fiscus simpel konden ontlopen door hun geld in een ander Europees (buur)land op de bank te zetten. Decennialang ging dat in het naoorlogse Europa goed. Maar rond de eeuwwisseling werden veel banken en bedrijven Europees, door fusies en overnames.

Financieel integreerde Europa snel. Kapitaal stroomde vrijelijk grenzen over. Daardoor moesten Europese landen afspraken maken over wie waar belasting betaalde, anders zou al het geld naar het fiscaal vriendelijkste regime stromen. Daarom gingen EU-landen in 2005 automatisch informatie over spaartegoeden uitwisselen.

Alleen Luxemburg en Oostenrijk deden niet mee aan deze spaartegoedenrichtlijn. Zij vreesden dat klanten zouden vertrekken naar landen buiten de EU met lage belastingtarieven, zoals Zwitserland, en eisten dat die landen dan óók meededen. Overige EU-landen zijn hen echter blijven pushen. „Die twee waren hypocriet”, vindt een diplomaat: „Ze verstoorden de interne markt waar hun eigen banken enorm van profiteerden.”

Luxemburg en Oostenrijk moesten vanaf 2005 wel bronbelasting op spaargeld heffen. Vijf niet-EU-landen deden het ook: Zwitserland, Liechtenstein, San Marino, Andorra en Monaco. De EU dreigde hun toegang tot de interne markt te blokkeren als zij EU-belastingdiensten brood uit de mond bleven stoten. Daardoor moesten Luxemburg en Oostenrijk volgen. Het eerste jaar hieven ze 15 procent, oplopend naar 35 procent nu.

Dividend en royalty’s

De spaartegoedenrichtlijn nam een symbolische hap uit het bankgeheim van Zwitserland, Oostenrijk en Luxemburg. Maar ze functioneerde voor geen meter. Bronbelasting gold alleen voor rente op spaargeld, niet dividend of royalty’s. Banken in Wenen en Luxemburg hielpen EU-burgers om spaarrekeningen simpelweg om te zetten in levensverzekeringen of andere bankproducten. EU-belastingdiensten kregen daardoor weinig binnen. Sinds 2008 willen andere EU-landen de regeling daarom uitbreiden.

Luxemburg en Oostenrijk weigerden daarover te praten. Regel het eerst maar met Zwitserland en de andere vier, zeiden zij – daarná kunnen wij het erover hebben. Tegelijkertijd blokkeerden Wenen en Luxemburg onderhandelingen daarover met Zwitserland. En Zwitserland weigerde met de EU te onderhandelen zolang er binnen de EU landen waren niet meededen aan de uitgebreide spaartegoedenrichtlijn.

Kortom, Zwitserland verschool zich achter Luxemburg en Oostenrijk, en andersom. Zo gebeurde er jaren niets. Fiscale beslissingen kun je in Europa alleen met unanimiteit nemen.

Tijdens de crisis pompten overheden miljarden in banken. Meer dan ooit hadden ze belastinginkomsten nodig. Maar als ze fiscale paradijzen als de Bahama’s of Kaaimaneilanden wilden aanpakken, zeiden die: „Schaf eerst de bankgeheimen in Europa maar af, voordat je aan de onze komt”.

Dat Luxemburg en Oostenrijk nu eindelijk door de pomp gaan, komt niet doordat de Europese irritatie overkookte. Nee, de game changer komt van de Amerikanen. De VS eisen dat alle Amerikaanse staatsburgers belasting betalen in Amerika, al wonen ze in het buitenland en betalen ze daar óók belasting.

Vandaar dat de Amerikaanse belastingdienst IRS gebeten was op landen met een bankgeheim. Washington bedacht de zogeheten Fatca-regeling: buitenlandse banken die geen gegevens insturen over Amerikaanse rekeninghouders kregen geen vergunning meer op Wall Street. Dit dwong Zwitserland (2009) en Luxemburg (2013) op de knieën. ‘Finanzplatz Schweiz’ is morsdood zonder Wall Street. Ook Luxemburg leeft van de haute finance. Oostenrijk niet, maar dat kon in zijn eentje het gevecht niet volhouden.

Fatca dwong Zwitserse en Luxemburgse banken hun nationale bankgeheim te schenden door alle data te verstrekken die Washington wilde hebben. Daarmee kregen andere EU-landen een mooi cadeau: het recht om hetzelfde te vragen. In de Europese spaartegoedenrichtlijn staat namelijk dat deelnemende landen tegen elkaar „minstens” even open moeten zijn als tegen niet-deelnemers. Ofwel: wie bankgegevens met de VS deelt, moet ze ook binnen Europa delen.

Toen ging het snel. In 2013, ten tijde van Offshoreleaks – het schandaal over belastingontduiking via belastingparadijzen –, gaven Luxemburg en Oostenrijk het verzet tegen onderhandelingen over automatische uitwisseling met de vijf jurisdicties op. Aanvankelijk wilden ze dat Zwitserland en de vier andere éérst tekenden. Toen wilden ze wachten op nieuwe mondiale standaarden. Maar met die vertragingstactieken wonnen ze enkele maanden, meer niet. Nu is het spel uit. De globalisering zegeviert.

    • Caroline de Gruyter