Eindeloos wroeten naar iemands venijn

De Albanese grootheid Ismail Kadare komt met een bizar liefdesverhaal, gebaseerd op het Orpheus-motief. Het speelt zich af in het levensbedreigende universum van het stalinistische Albanië.

Ansichtkaart van Tirana

‘Nee, zei hij voor de laatste maal tegen zichzelf. Hoe graag je het ook wil, hoezeer je ook naar haar verlangt, je mag het niet doen.’ ‘Hij’ is de beroemde Albanese toneelschrijver Rudian Stefa, die in de hoofdstad Tirana aan een tafeltje zijn nieuwste boek zit te signeren, ‘zij’ is Linda B., de vrouw naar wie de schrijver niet mag opkijken als hij haar niet wil verliezen. ‘Als een blinde hield hij het boek met één hand weer omhoog, terwijl hij naar beneden bleef kijken. Zo bleef hij zitten, wachtend tot zij het boek van hem overnam. En dat gebeurde ten slotte: het meisje pakte het aan en slechts één moment raakten hun vingers elkaar aan, ijskoud, in de duisternis van het niets.’

De slotscène van Het reisverbod, een recente roman van de Albanese schrijver Ismail Kadare (1936), is een variatie van het Orpheus-motief uit de Griekse mythologie. Zoals Eurydice, die aan de onderwereld is ontkomen, voor Orpheus verloren zal gaan als hij naar haar omkijkt, zal Rudian Stefa het meisje Linda B. kwijtraken als hij van zijn tafel naar haar opkijkt.

Het reisverbod speelt eind twintigste eeuw in de Albanese hoofdstad Tirana. Het stalinistische land wordt bestuurd door een naamloze tiran, de Grote Leider genoemd. Die dictator beschikt wel over een leger van geheim agenten en spionnen, maar hij heeft zijn praktijken gemoderniseerd, want tegenwoordig doet hij ook een beroep op psychiatrische rapporten die zijn secretaris verzamelt en aan de dictator voorlegt.

Kadare situeert zijn bizarre liefdesverhaal in de hem vertrouwde wereld van politieke paranoia, waarin een verkeerd woord je het leven kan kosten. Een artistieke raad taxeert de manuscripten van de schrijvers op grond van de hoeveelheid tekst die aan negatieve en positieve helden wordt besteed. Vervolgens worden de boeken materieel doorgelicht, want de snuffelaars zoeken op de bladzijden ook naar vingerafdrukken ‘zodat ze eventueel verdachte lezers op het spoor konden komen’.

In dat levensbedreigende universum probeert Rudian Stefa zich te handhaven. Tijdens een signeersessie in Tirana maakt hij kennis met het meisje Migena, (een anagram van enigma). Ze vraagt hem om in zijn boek een opdracht te schrijven voor haar vriendin Linda B., van wie we later vernemen dat zij op afstand verliefd op de schrijver is geworden. Ze kan hem niet ontmoeten omdat ze door een reisverbod aan haar verblijfplaats is gekluisterd. Want Linda, die zowel naar Tirana als naar de onbereikbare Rudian Stefa hunkert, stamt uit een gedeclasseerde familie die vóór de oorlog nauwe betrekkingen met het koninklijk huis onderhield en die gedeeltelijk in het buitenland woont. Omdat ze zelf de schrijver niet kan of mag opzoeken, stuurt Linda B. haar vriendin Migena als plaatsvervangster, als ‘doublure’, naar Tirana.

Als hij verneemt dat Linda B. zelfmoord heeft gepleegd, belandt Rudian Stefa in een web van staatsintriges, die hij tevergeefs probeert te doorgronden. De passages over de positie van de schrijver in de dictatuur zijn het boeiendste deel van Het reisverbod. Rudian Stefa houdt er gevaarlijke opvattingen op na. De geheime diensten kennen zijn negatieve oordeel over Stalin. Ze kennen zelfs zijn wrange grappen over leden van het Politbureau. Voor dat gedrag zou een trouwe communist direct voor het vuurpeloton worden geplaatst, terwijl Stefa, die als kunstenaar door de Leider beschermd wordt, ze ongestraft mag cultiveren. Of is dat een illusie?

De geheime diensten zijn hoe dan ook gefrustreerd en zinnen op wraak omdat Rudian Stefa aan hun greep ontsnapt. Ze vragen zich af waarom de ene ontzien wordt, terwijl de ander keihard wordt aangepakt: ‘Wekenlang hadden ze 24 uur per dag zitten graven en wroeten om al het politieke venijn uit iemands bestaan naar boven te halen, en dan werd er ineens niets mee gedaan: het venijn bleek onschuldig.’ Voor Rudian Stefa redenen genoeg om er niet gerust op te zijn.

Het reisverbod is een interessante, niet helemaal geslaagde roman. De kern van het verhaal, het Orpheus-motief, verdwijnt in een nevel van supplementaire thema’s die de samenhang niet bevorderen – alsof Kadare met zijn schepnet door zijn rijke oeuvre gaat en met de opgeviste brokstukken een nieuw boek in elkaar knutselt.

Bij het lezen van Het Reisverbod word je overmand door het gevoel dat Kadare de maatschappelijke weerstand mist die zijn sluwe romans uit het stalinistische tijdperk zo uniek maakten. De spanning die door de dichtheid van zijn taal, zijn stilistisch vermogen, zijn oog voor het groteske en zijn talent voor verbluffende metaforen werd opgewekt, heeft plaatsgemaakt voor een zekere moeheid, die zich manifesteert in een al te fragmentarische opbouw en herhalingen.

Een paar jaar geleden liet Kadare weten dat hij het romangenre zou opgeven om zich uitsluitend toe te leggen op het literaire essay. Het is jammer dat hij zich niet aan die belofte heeft gehouden. Hij schreef lang geleden schitterende, lucide en helaas nog onvertaalde opstellen over de Griekse tragediedichter Aischylos en vrij recent over Dante en Shakespeare. Ook zijn spannende en inspirerende dagboeken en herinneringen uit het stalinistische tijdperk wachten nog op vertaling. Hetzelfde geldt voor De grote winter, Kadare’s meesterlijke epos, waarmee hij, na De generaal van het dode leger en andere belangrijke romans, zijn faam als een van de grootste auteurs uit de wereldliteratuur vestigde.

    • Piet de Moor