Duizelruimtevarenden in onbekommerdheidsblauw

Er jaagt een geest van vrijheid en een kosmisch duizeligheidsbesef door deze bundel. De dichter biedt huppelende inzichten, maar je leest hem toch vooral om zijn mooie woorden en zijn mooie beelden.

Frans Kuipers Foto Rens van Mierloo

Ik wist niet veel van de dichter Frans Kuipers. Maar ik sloeg zijn nieuwe bundel, Molwerk, op – en hij beviel me meteen. Een dichtertje! Een dichtertje dat zingt, van de liefde en het leven, en zijn zwerftochten door de wereld. Licht, vlinderig, zonder een hoge borst op te zetten. ‘Ik vertegenwoordig niks dan mijn nipte / aan wisselingen onderhevige aanwezigheid in het dal.’

Ik houd van dichters die zeggen ‘Ik ben van de rivier’ als ze zoiets willen zeggen als: ik ben graag in de buurt van rivieren, ik ga graag op in de rivier en het rivierenlandschap. En Kuipers is van nog wel meer: ‘Ik ben van de rivier / en van de wolken boven de rivier.’ Op je rug naar de wolken kijken en opgaan in het uitzicht: ‘Ik hield van / wandelen en ik hield ervan moe van het wandelen / te liggen op de jas in het gras / in de ritsel en de fluitjes van de zomermiddag / als de vlier, de smeerwortel en de stapelwolken / verkondigden het oneinde / van vlieren, smeerwortels en stapelwolken.’ Het is simpel, het is ritmisch, het is zangerig, met toch een paar echte dichterlijke eigenaardigheden: de licht verdraaide zinsvolgorde, de wat gedragen toon, de lekker uit de toon vallende plantennaam ‘smeerwortel’ en het nieuwe woord ‘oneinde’.

Het is niet allemaal zo simpel en verliefd bij Kuipers. Op allerlei plekken dringt er ook een kosmisch duizeligheidsbesef door de woorden heen. Wij bevinden ons op een met hoge snelheid ronddraaiend hemellichaam, ‘in een vuurwerk / te midden van gigantische explosies en erupties.’ Wij zijn ‘duizelruimtevarenden.’ En dan kan de lichte lyriek soms ook wel doorslaan naar een dreigende, bezwerende, Bijbelse onheilsprofetentoon. ‘Ik was de zaakgelastigde van mijn verlorenheid.’ Het lijkt Kees Ouwens wel. En soms is het eenvoudigweg niet goed te volgen, als Kuipers opgaat in zijn lyrische bevliegingen en zijn eigen taal. Dan is zijn geliefde ‘het hondsdiep van mijn nooddruft’, dan zingt hij ‘van luchtkasteel en duisterdal, / het godmiljaren maal omsnikte niks van al.’

Inmiddels weet ik iets meer van Frans Kuipers. Hij is geboren in 1942, in Vught. Hij debuteerde in 1965 met de bundel Zoals wij. Hij heeft jarenlang rondgetrokken door Noord-Afrika en Europa, als een echte hippie. Hij is jarenlang ziek geweest (hepatitis C) en heeft jarenlang niet gedicht. Maar sinds zijn wederopstanding in 1997, met Wolkenjagen, is Molwerk alweer zijn zesde bundel. De verschillen tussen die bundels zijn niet heel groot. Regels, woorden, beelden, hele gedichten keren terug. De titel Molwerk kwam als afdelingstitel al voor in Wolkenjagen. Ook wel aardig om te vermelden: Gerrit Komrij nam in de laatste editie van zijn bloemlezing negen gedichten op van Kuipers.

In al die gedichten waait een geest van vrijheid. Dat is wat mij er het meest in bevalt. De woorden ontstaan ter plekke, zo lijkt het, in een dichterlijke roes: ‘zomeraltijds tjilpebeestjes’, ‘vliegevlugvonkjes’. De beelden ook: ‘het glinsterende waterklavecimbel’, gezegd van een beekje. De gedichten kunnen heel kort zijn, maar ze kunnen ook uitgroeien tot grote panoramische opsommingen, waarin Kuipers probeert zijn ‘verbazing over de wereld’ uit te spreken. Hij herinnert zich vistochten van vroeger, bij zonsopgang. Ook toen had hij al het besef dat dit alles veel ouder was dan het menselijk bewustzijn. De geschiedenis trekt aan zijn oog voorbij: ‘Kloostertuinen en merels. / Brandstapels, Noormannen, pest.’ En ‘de optocht / van stapelwolken weerspiegeld in een slotgracht.’ Bij de verbazing om dit alles voegt zich ook het besef dat ‘één hoofdomdraai / minder of meer’ een groot verschil kan maken.

Dat toeval keert op verschillende plaatsen terug. Kuipers is geen filosoof, maar als ik het goed zie is dit wat het leven hem geleerd heeft: het toeval regeert, en je kunt niet anders dan met het toeval mee bewegen. Dat zou je onthechting kunnen noemen, of aanvaarding, maar er is verder niets mystiekerigs aan. Bij Kuipers neemt het de vorm aan van verbazing om alles – een omarming van het leven, het licht en de liefde.

Om zulke huppelende inzichten hoef je een dichter natuurlijk niet te lezen. Je leest hem om zijn mooie woorden, en mooie beelden. In een heus sonnet zegt Kuipers dat hij ook wel weet dat elke plek op aarde door bloed of tranen is bevlekt. Hij weet ook wel dat overal knechten onder meesters geleden hebben, en nog steeds lijden. Het is moeilijk om in de mens te geloven. En dus wil hij het maar zoeken in de ‘buitenmenselijkheid’ van de aarde: in het blauw, ‘het onbekommerdheidsblauw’ van de hemel.

Aan het eind van het gedicht keert het beeld terug. Kuipers vertelt daar van astronauten die, na een lange tijd ‘in de zwarte, sterrenbespikkelde ruimte’ verbleven te hebben, weer op aarde terugkeerden. En ze konden maar niet vergeten hoe ze daar, vanuit de duisternis, hadden gekeken naar die mooie blauwe knikker, ‘het onbekommerdheidsblauwe lampje brandend.’

    • Guus Middag