Doe ik net een dutje, belt prompt Kofi Annan

De vorige week overleden Britse Labourpoliticus Tony Benn was ruim 50 jaar Lagerhuislid. Hij begon als cartoonkarakter, maar werd met stoffige pet en eeuwige pijp steeds meer een darling of the nation.

Tony Benn in 2009: Blairs woordvoerder Alastair Campbell noemde hem een ‘slijmbal’ Foto Hollandse Hoogte

De krachten voelde hij al afnemen, noteerde de vorige week overleden Labourpoliticus Tony Benn in A Blaze of Autumn Sunshine. Dit laatste van zijn acht delen tellende dagboek, dat hij sinds 1940 bijhield, beslaat de jaren 2007-2009 en is de kroniek van een oude man, waarin de elder statesman nog steeds strooit met beroemde namen. Hoeveel dagboeken beginnen immers met: ‘Ik deed net een dutje toen Kofi Annan belde’.

Tot hij in juli 2009 een beroerte kreeg, woonde de in 1925 geboren Benn nog altijd alleen in dat grote huis aan Holland Park, waar elke zichzelf respecterende journalist wel eens op bezoek is geweest om door hem beleerd te worden. Jij zette je bandrecorder op tafel, hij zette de zijne ernaast. Zijn bandje werd nog dezelfde avond bijgezet in een archief dat vele tientallen meters besloeg en waaruit zijn redacteur Ruth Winstone uiteindelijk de te publiceren gedeeltes selecteerde.

Toen het mijn beurt was om hem te interviewen, werd het fietsenhok naast zijn tuinhek net bewoond door een zwerver, wat Benn tolereerde. Volgens hem had Mrs. Thatcher het ‘de gewone man’ onmogelijk gemaakt om genoeg te verdienen en in een behoorlijk huis te wonen. ‘Bennite’ bestond toen al lang als adjectief om ultralinks-Labour te etiketteren.

De voormalige minister in de kabinetten Wilson en Callaghan stelde zich op in hetzelfde kamp als Michael Foot, net als Benn een schat van een man, maar als politiek ideoloog de rampzaligste Labourpremier die de Britten in de twintigste eeuw hebben gekend. Beiden lieten zich de macht van de vakbonden welgevallen en associeerden zich rustig met Arthur Scargill, de links-militante mijnwerkersleider. Andrew Marr merkt hierover in A History of Modern Britain op: ‘ogenschijnlijk zonder oog te hebben voor wat er in (hun) zijn naam werd aangericht’. Marr doelt op de knokploegen en de intimidatie waarvan Scargill en andere militant linkse vakbondsleden zich bedienden teneinde de partij in hun richting te sturen.

Het is een open vraag wat er met Labour en met het land zou zijn gebeurd als militant-links in 1980 de overhand in de partij had gekregen. Dennis Healy en niet Benn won tenslotte op het nippertje de strijd om het vice-leiderschap van Labour. Dertien Labour Lagerhuisleden waren toen al overgestapt naar de nieuw gevormde sociaal-democratische partij SDP van Roy Jenkins. Uiteindelijk wist Neil Kinnock eind jaren tachtig de macht van de vakbonden in de partij te breken.

Benn is meer dan vijftig jaar Lagerhuislid geweest. In die periode veranderde hij van een cartoonkarakter in een, op zijn 88ste, niet langer serieus te nemen darling of the nation – een zeldzaam voorbeeld van een politicus die linkser werd naarmate zijn jaren vorderden. De sociaal-democraten in Blairs New Labour was hij mede daarom een doorn in het oog. Toen Benn in 2003 in de aanloop naar de Irakoorlog Saddam Hussein voor tv-zender Channel 4 interviewde, noemde Blairs woordvoerder, Alastair Campbell, hem een ‘slijmbal’.

Benn was makkelijk te bespotten: de man die van zijn vader een adellijke titel erfde en naar het Hogerhuis moest, maar zo aan zijn Lagerhuiszetel hing dat hij voor elkaar kreeg dat de wet op de adel werd gewijzigd. De 2de burggraaf Anthony Wedgwood Benn veranderde in Tony Benn en keerde terug in het Lagerhuis.

De eeuwige pijp, de stoffen pet, en altijd de kroes thee stevig in het zicht, riepen de verdenking op dat Benn voor ‘gewone man’ wilde spelen. Geen demonstratie ging voorbij, geen herdenkingsoptocht voor de strijd van de arbeidersklasse, of hij hield er een toespraak. Dat dit op patriciërstoon gebeurde, verhinderde zijn gehoor niet hem toe te juichen. Benns dagboeken staan vol ontmoetingen met eenvoudige werkers, die hem aanspreken om hem te zeggen dat hij als enige echt voor hen opkwam.

Na zoveel jaar hangt er dus een aura van bijna-heiligheid om Benn. Zijn opgewekte onschuld, zijn niet aflatende hoop op de verheffing van de arbeidersklasse, zijn blijvende geloof in het goede, en de pure volharding waarmee hij zich door de ongemakken van de oude dag worstelde om politiek relevant te blijven – hij was sinds zijn vertrek uit het Lagerhuis voorzitter van de Stop The War Coalition – waren bijna vertederend. Zoals: ‘Maandag 15 oktober. Opgestaan om vijf uur en om even voor zessen was ik bij het postkantoor in mijn buurt, in de veronderstelling dat er gestaakt zou worden over de plannen tot sluiting van postkantoren. Maar er waren geen stakers, dus ik ben weer gegaan met achterlating van de stickers met ‘Steun Het Postkantoor’.

In juli 2009 komt de autumn blaze ten einde. Benn is inmiddels wegens zijn slechte gezondheid verhuisd naar een serviceflat. Trots en glorie zijn beperkt tot prestaties van kinderen en kleinkinderen, onder wie zoon Hilary, schaduwminister in Labours oppositiekabinet, en kleindochter Emily, die bij de laatste verkiezingen werd geselecteerd als Labourkandidaat voor een parlementszetel die in Conservatieve handen bleef.