Dieren verknoeien toch ook veel tijd met nietsdoen

Tijs Goldschmidt houdt van niksen. Heel begrijpelijk dat hij, een gepromoveerd evolutiebioloog, zijn wetenschappelijke werk heeft opgegeven om zich aan het schrijven te wijden; alleen schrijvers kunnen een hele dag verprutsen en daarna zeggen dat ze lekker gewerkt hebben.

Aan Goldschmidts jeugd heeft het niet gelegen, hij kreeg het arbeidsethos naar behoren opgelegd: ‘Als mijn vader over een dierbare opschepte tegenover anderen, zei hij vaak: ,,Hij [...] werkt zich helemaal dood.’’ Voor hem was dat het hoogste ideaal. Het is vast niet toevallig dat mijn coming-out als lummelaar pas nu, enkele jaren na zijn dood, plaatsvindt.’

Ook dieren verknoeien tijd met spelen en nietsdoen, laat Goldschmidt zien in de essays ‘Doen alsof je doet alsof’ en ‘Vis in bad’. Dat katachtigen luieren is duidelijk zichtbaar, maar ook bijvoorbeeld de torenvalk besteedt gemiddeld slechts vier uur per dag aan biddend jagen. Voor darwinisten als Goldschmidt is dat slecht nieuws: dieren worden geacht al het mogelijke te doen om hun genen te verspreiden. Waarom werkt die torenvalk niet wat harder? Als hij in het broedseizoen acht uur zou jagen, zou hij twee keer zo veel jongen kunnen grootbrengen.

Onderzoekers in de Lauwersmeer voegden aan het legsel van sommige paartjes torenvalken enkele eieren toe, en wat bleek? De torenvalken maakten biddend overuren, slaagden erin het hele broedsel groot te brengen – en hadden de daaropvolgende winter een aanzienlijk gestegen kans te sterven. ‘Maximale inspanning leveren is niet zaligmakend, of anders gezegd: lummelen is op de lange termijn van levensbelang,’ zo concludeert Goldschmidt tevreden. Zelfs de hardwerkende stekelbaars lijkt op zijn tijd ontspannen te badderen.

Tussen mens en dier gaapt geen kloof, zo blijkt steeds weer uit de stukken in Vis in bad. Zo zijn er nogal wat diersoorten die net als wij empathie vertonen. En is de winterdepressie bij mensen niet gewoon een milde vorm van winterslaap?

Goldschmidts essays zijn elegant geschreven, leerzaam, en je hoort er als vanzelf zijn beminnelijke voordracht bij. Maar op zeker moment kwam het op mij wel érg comfortabel over. Al is het vanuit evolutionair oogpunt slimmer de indruk te wekken alles op je sloffen te doen dan op je tenen te lopen, toch denk ik dat het schrijven van deze stukken Goldschmidt niet ten dode heeft uitgeput.

Gelukkig besluit de bundel met ‘Het gen van de ziel’, een verdediging van Richard Dawkins en Daniel Dennett tegen Willem Jan Otten en Bas Heijne, die volgens Goldschmidt in hun polemische stukken een karikatuur van darwinistische denkbeelden maken. In dit betoog is hij scherp en gepassioneerd en verwoordt hij de grote bekoring die de evolutionaire visie voor hem heeft: ‘een diep gevoel van verbondenheid met alle levende wezens op aarde’ omdat ‘alle levende wezens op aarde uiteindelijk een gemeenschappelijke voorouder delen.’