Bruckner ‘9’ vol diepe religiositeit

Voor het eerst sinds zijn dramatische instorting tijdens het slot van de wereldtournee staat chef-dirigent Mariss Jansons voor het Concertgebouworkest. Hij oogde niet topkwiek, maar wel energieker dan toen. Dat stelde gerust gezien de weken die volgen: deze week de Negende van Bruckner gekoppeld aan het Eerste pianoconcert van Beethoven, volgende week de Vierde en Zevende van Bruckner met optredens in Londen en Parijs, waar het orkest ‘residencies’ heeft.

Van de drie Bruckners is de onvoltooide Negende de enige die Jansons nog niet eerder met het orkest uitvoerde, wel (zijn planning is hypereconomisch) vorige maand met zijn orkest in München. Zijn interpretatie bleek opmerkelijk: de hoornintro van het openingsdeel klonk niet eerder zo voorwereldlijk mysterieus, maar meteen daarop volgde een volledig uitgespeelde climax die je je deed afvragen hoe de architectuur zich dan verder moest ontwikkelen. Constanten bij Jansons: zijn aandacht voor klank en diepte, die bij flarden zorgt voor een wow-gevoel. Zo was het kwartet van Wagner-tuba’s in het Adagio een moment dat zinderde van diepe religiositeit. Maar het Scherzo miste scherpte in de overdonderkracht. Als geheel ‘las’ deze Negende als een verhaal met grote pieken en dalen in een samenhang die nog aanscherping verdient.

Voor de pauze was Lars Vogt de degelijke solist in het Eerste pianoconcert van Beethoven. Jansons belichtte met het hier kleine orkest vooral de humane, warme kant, terwijl Vogt Beethoven ook met de vuist op tafel liet slaan. Ze vonden elkaar in het Rondo, met scherpe syncopes en lekker boertig ritmisch stampwerk.

    • Mischa Spel