Niet gestemd voor een sterfhuis

Liefst 200 gemeenten worden door de regering in hun bestaansrecht bedreigd. Logisch dat de kiezer wegblijft van zo’n sterfhuisconstructie, vindt D.J. Elzinga.

Tijdens de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen hebben vele landelijke politici en bestuurders een preek voor eigen parochie gehouden. Maar er waren ook algemene oproepen – onder andere van premier Mark Rutte, minister Ronald Plasterk en PvdA-leider Diederik Samsom – om in ieder te geval te gaan stemmen. Dit in een poging om de trend in de dalende opkomstcijfers te keren. Het resultaat laat zien dat deze oproepen wel een beetje hebben geholpen, maar geen aanzienlijke ommekeer hebben gebracht. De animo om in de benen te komen voor de raadsverkiezing is beperkt gebleven en dat hebben de nationale politici voor een belangrijk deel aan zichzelf te wijten. Er zijn namelijk voor deze raadsverkiezing enkele feiten te noemen die een aanmerkelijke en evidente invloed hebben gehad op de bereidheid van kiezers om hun stem uit te brengen.

Op basis van het regeerakkoord van het kabinet Rutte II meldde minister van Binnenlandse Zaken Plasterk aan het begin van de kabinetsperiode dat er zou worden gestreefd naar vijf landsdelen onder uiteindelijke opheffing van de provincies. Ook werd medegedeeld dat de gemeenten een minimum aantal inwoners zouden moeten krijgen van ongeveer 100.000 inwoners. Gemeentelijk Nederland kreeg daarmee de boodschap dat honderden gemeenten hartelijk werden bedankt voor hun inzet en daadkracht, maar dat er ten langen leste geen bestaansrecht meer is voor ongeveer 200 van de 400 gemeenten.

Plasterk werd weliswaar meteen gedwongen de scherpe kantjes weg te halen, maar het beeld is blijven hangen en het werd via een andere route een nieuw leven ingeblazen. Het was namelijk dezelfde minister van Binnenlandse Zaken die in het voorjaar van 2013 de boodschap ging verkondigen dat de gemeenten met meer dan 100.000 inwoners op eigen kracht alle nieuwe gedecentraliseerde taken zouden kunnen behartigen, maar dat gemeenten met minder inwoners met dat doel zogenaamde congruente samenwerkingsverbanden zouden moeten gaan vormen.

In die samenwerkingsverbanden werken gemiddeld zes gemeenten samen om aan de enorme taakstelling op het punt van jeugdzorg, Wmo en participatie vorm en inhoud te geven. De minister vertelde daar meteen bij dat die regionale samenwerking een verre van ideale situatie is. Immers het doel van de decentralisaties is om het sociale domein in de nabijheid van burgers tot uitvoering te brengen. En dan moeten gemeenteraden en colleges daar natuurlijk ook directe invloed op kunnen uitoefenen. Die directe invloed is er niet indien op regionaal niveau de belangrijke beslissingen moeten worden genomen. En het is vooral de minister van Binnenlandse Zaken die als geen ander weet dat het regionale bestuur behoort tot de meest problematische en moeizame vorm van openbaar bestuur in ons land. ‘For the time being’ zou dat echter moeten worden geaccepteerd. Zo snel mogelijk zouden die regionale samenwerkingsverbanden weer moeten worden opgeheven en wel door de vorming van grote regiogemeenten, waarbij niet 2 of 3 gemeenten bij elkaar worden gevoegd, maar tenminste 5, 6 of 7.

Zou in de praktijk blijken dat het voorlopige decentralisatiebestuur in de regio’s leidt tot een baaierd van knelpunten en problemen, dan zou dat de minister bevestigen in zijn eindbeeld dat als de wiedeweerga moet worden gewerkt aan een gemeentelijke opschaling van groot formaat.

De marxistisch geschoolde denker – zo hier en daar is er nog een enkeling – ziet meteen het beeld van ‘Verelendung’. Hoe meer problemen je veroorzaakt, des te sneller komt het heilvolle witte huis aan de horizon in beeld. De nationale politiek heeft dus in het kader van de decentralisatie de helft van de Nederlandse gemeenten ondergebracht in een sterfhuisconstructie.

Diezelfde nationale politiek vroeg de afgelopen weken van de burgers om een stem uit te brengen omdat hun gemeente belangrijker wordt dan ooit tevoren.

Kiezers zijn echter veel slimmer dan menigeen denkt. De vraag om te gaan stemmen voor een gemeenteraad die op afzienbare termijn wordt opgeheven en op zal gaan in een veel groter verband is een deprimerende activiteit waar veel burgers zich niet voor willen lenen. En dan is het vanzelfsprekend dat boontje om zijn loontje komt of nog wat beter gezegd: eigen schuld, dikke bult.

    • D.J. Elzinga