Marieke Heebink mag de horrormadam zijn

Regisseur Susanne Kennedy maakt haar debuut bij Toneelgroep Amsterdam. Een stijlbreuk die de acteurs inspireert.

Actrice Marieke Heebink als de moeder inDe pelikaan van August Strindberg. Foto Jan Versweyveld

Een kanariegele nylon ballroomjurk, een ontplofte blonde pruik en lange travestietenwimpers. Wie die bonte verschijning ziet, herkent niet onmiddellijk actrice Marieke Heebink. Op toneel zit ze in een benauwde woonkamer als vastgegroeid aan een enorme sofa. Geen moment verlaat ze haar stek. Haar dochter dwingt met een grote lepel de pap in haar rood gestifte mond. Heebink gorgelt en stribbelt tegen. Heerlijk, lacht ze even later tijdens de pauze, in de schouwburg in Hoorn waar ze repeteert. „Het bevalt mij zeer, zoals ik er nu bij zit.”

Regisseur Susanne Kennedy (1977) maakt met Strindbergs De Pelikaan haar debuut bij Toneelgroep Amsterdam. Dat is niet in alle opzichten vanzelfsprekend. Kennedy heeft zich de laatste jaren bekwaamd in een beeldende, nadrukkelijk artificiële regiestijl waarbij de persoonlijkheid van de acteur steeds meer achter het concept verdwijnt. Acteurs dragen groteske kostuums en gaan schuil onder een dikke laag grime. Soms verstopt Kennedy ze zelfs onder maskers, of laat ze ze andermans teksten playbacken. Haar regies worden steeds minder toneel, zegt ze zelf, en steeds meer beeldende installaties.

Haar komst als gastregisseur naar Toneelgroep Amsterdam, het gezelschap dat juist uitblinkt in naturalistisch spel en psychologisch doorleefd toneel, deed dan ook hier en daar de wenkbrauwen fronsen. Zouden de trotse acteurs aldaar zich laten reduceren tot zetstukken? Maar volgens Heebink leeft dat soort sentiment uitsluitend bij de buitenwacht. Diepe zucht: „Als we dat soort mythes toch eens konden ontkrachten…” En dan, geestdriftig: „Joh, ik had nog nooit iets van haar gezien! Maar Theu Boermans en Gerardjan Rijnders werkten vroeger ook al met pruiken en kostuums en toeters en bellen. Ik vind dat leuk. Ik ben een lucky bastard.” Kennedy: „Ik had me wel op weerstand voorbereid, en dacht lang: wanneer komt het nu, wanneer gaan ze me haten? (lacht) Maar ik heb er nog niks van gemerkt.”

Heebink speelt de moederfiguur in De pelikaan (1907), een even abjecte als fascinerende vrouw, van wie gaandeweg duidelijk wordt dat ze gruwelijke misdaden jegens haar kinderen heeft begaan. Kennedy situeert het stuk in een uitvergroot poppenhuis op toneel, compleet met zolder en kelder. De meeste actie vindt plaats in de benauwende, helverlichte woonkamer en de griezelige kinderkamer boven, waar symbolen van kinderlijke onschuld worden geperverteerd: we zien zwakke lampjes die niet helpen tegen de spoken op de gang en een clown wiens brede lach bij nader inzien behoorlijk eng blijkt. In de kelder kruipt actrice Janni Goslinga rond als een satanische Sneeuwwitje, griezelig neuriënd, met gitzwarte pruik en wellustig decolleté boven haar babyblauwe jurk. Zuurstokkleuren, speelgoed, enge Disneyprinsessen; Kennedy creëert een gruwelijk verwrongen kinderuniversum.

Kennedy: „Ik ben altijd gefascineerd door horror, maar niet vanwege het ‘lekker griezelen’. Een belangrijke inspiratiebron voor mij is The powers of horror van filosofe Julia Kristeva. Waarom stoot iets ons af? Bijvoorbeeld om onze eigen identiteit te beschermen. Zo van: dit ben ik en hier begint iets waar ik niks mee te maken wil hebben.” Kennedy maakt een afwerend gebaar. „Dat begint al heel klein, bij het gevoel van walging dat je kan hebben bij het velletje op de melk. Kokhalzen is een heel existentiële beweging: je stoot letterlijk iets onaangenaams uit.” Kennedy doet het opgewekt met haar hele lichaam voor.

Het afstotende van het universum dat ze de toeschouwer voorschotelt, zit hem in de vreemde beelden en het onheilspellende geluidsdecor. Maar ook in het artificiële spel, waarbij de acteurs, gezicht naar de zaal, met vervormde stemmen staccato bepaalde sleutelzinnetjes herhalen, keer op keer op keer. Dialoog is er niet; iedereen zit vast in zijn eigen groef. De personages dolen rond in een nachtmerrie waaruit geen ontsnappen mogelijk is.

Zo spelen is millimeterwerk, zegt Heebink. Kennedy maakt een uiterst precieze choreografie, die staat of valt bij een hele reeks cues, tekens. Lopen, stoppen, stilte laten vallen, spreken; het is allemaal precies getimed, omdat volgens Kennedy in het geheel van die details de spanning schuilt. Vastgenageld aan haar sofa en met het gezicht naar de zaal kan Heebink haar medeacteurs niet zien. „Ik moet dus heel goed luisteren, en tellen.”

Minieme veranderingen hebben bovendien direct draconisch effect, zegt ze. „Gisteren zat ik een paar centimeter hoger dan de dag ervoor, en opeens was alles anders. Ik kon me meteen niet meer verhouden tot die vrouw, en hoe zij zich beweegt. Dat luistert kennelijk heel nauw.”

De compositie als geheel brengt bij Kennedy de emotie teweeg. Als ze toch nog een vergelijking moeten maken met de artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam, dan is het dat bij Ivo van Hove de acteur die emotie eerder zelf produceert.

Heebink: „Bij Ivo gaat alles via de binnenkant. Hier beginnen we aan de buitenkant, met de vorm, en werken dan naar binnen. Maar het is een groot misverstand te denken dat alleen het etaleren van grote emoties écht spelen zou zijn. Bij Susanne ben ik continu aan het vormgeven. Het voelt alsof ik heel precies aan het schilderen ben, of aan het beeldhouwen.

„Ja, ik ben hier eigenlijk als een razende aan het spelen.”