Kleine dansduivel die de wereld schokte

Het geniale en tragische leven van danser Vaslav Nijinski is vaak beschreven. Hij is nu het onderwerp van het toneelstuk ‘Vaslav’.

Acteur Maarten Heijmans als Vaslav Nijinski inVaslav, naar de roman van Arthur Japin. Foto Leo van Velzen

Het was de schuld van Diaghilev, die hem uit jaloezie ontsloeg. Nee, het lag aan zijn vrouw Romola, die hem het huwelijk in gelokt had, waarna hij zijn homoseksuele geaardheid moest onderdrukken. Of was het zijn vader? Die had de kleine Vaslav als kind bij wijze van zwemles in de rivier gegooid zodat hij zonk als een baksteen en minutenlang zonder zuurstof over de bodem ‘wandelde’, zoals hij later zelf vertelde. Werd hij vermalen tussen sterke persoonlijkheden, was hij zo geniaal dat hij gek werd, zat het in de familie?

Over de schizofrenie – want dat was het – van danser en choreograaf Vaslav Nijinski (1890-1950) is veel geschreven en gespeculeerd. Bij het verschijnen van zijn roman Vaslav, nu bewerkt tot toneelstuk, deed Arthur Japin in 2010 zijn duit in het zakje: er zat een element van keuze in Nijinski’s afscheid van de realiteit.

Ruimschoots voor hij op 29-jarige leeftijd ongeneeslijk geestesziek werd verklaard, had Nijinski de status van levende legende bereikt. Niet zijn gekte, maar vooral zijn uitzonderlijke danserskwaliteiten en artistieke betekenis lagen aan die faam ten grondslag, al droegen zijn tragische einde en de roerige driehoeksverhouding van Nijinski met Sergei Diaghilev en de Hongaarse aristocrate Romola de Pulsky natuurlijk wel bij aan de mythe.

Op de balletacademie van Sint-Petersburg, de befaamde Keizerlijke Mariinski School, viel hij op tussen de andere jongens. Tamara Karsavina, de vermaarde Russische ballerina die zich net als Nijinski zou aansluiten bij de, eveneens legendarisch geworden, Ballets Russes van Sergei Diaghilev, beschrijft in haar memoires hoe verbluft zij was bij het zien van de sprongen van een verder „oninteressant, bijna achterlijk” ogende jongen. Op de vraag wie hij was, antwoordde Nijinski’s balletdocent: „Dat is Nijinski; die kleine duivel landt nooit tegelijk met de muziek.”

Zweven

Zijn verbluffende sprong, daarmee behaalde de jonge danser uit Kiev zijn eerste roem. Uit alle ooggetuigenverslagen spreekt verwondering over Nijinski’s vermogen niet alleen hoog te springen, maar als het ware even te zweven, veel langer dan mogelijk volgens de wetten der zwaartekracht. Met name één sprong werd op zichzelf legendarisch: de reusachtige grand jeté waarmee hij in het ballet Le Spectre de la Rose door een groot, openstaand raam sprong, alsof hij nooit meer zou neerdalen.

Zelf deed hij, weer volgens Karsavina, nogal laconiek over dat bijzondere talent. „Nou, je gaat omhoog, daar pauzeer je even, en dan kom je weer naar beneden.”

Er was natuurlijk meer. Voor de voorstelling leek hij in trance te raken, schichtig en nerveus met de vingers friemelend. Zodra hij zijn kostuum aantrok, leek hij te transformeren. Hij verdween in zijn rollen, werd zijn personage. Zijn optreden in Petroesjka, een ballet uit 1911 van Michael Fokine op muziek van Igor Stravinsky, deed de toenmalige steractrice Eleanora Duse zelfs geïmponeerd uitroepen dat ze in Nijinski de grootste acteur ter wereld zag. Hij was ook de grootste danser van zijn tijd, en misschien wel van alle tijden – helaas bestaat er geen bewegend beeld – met een tot dan toe ongekende, organische dansstijl, vrij en zacht, waarmee hij elke pas, elke port de bras zonder zichtbare overgang aan de volgende smeedde tot een vloeiende bewegingsstroom.

Schandaal

Nijinski is, daarbij geholpen door muziekinnovator Igor Stravinsky, verantwoordelijk voor een van de grootste theaterschandalen aller tijden: Le Sacre du Printemps. Op de barbaarse, muzikale ritmes creëerde hij in 1913 een dansspektakel over een heidens vruchtbaarheidsritueel dat zondigde tegen alle wetten van de klassieke dans: naar binnen gedraaide voeten, gebogen knieën, ineengedoken lichaamshoudingen, hoekige armbewegingen, deerniswekkende sprongetjes. Lelijke dans, aldus het Parijse publiek, dat de muziek overstemde met geschreeuw, gesis en gefluit en nog tijdens de voorstelling onderling op de vuist ging, dit alles tot woede van Nijinski en Stravinsky – en tot tevredenheid van Diaghilev.

Een jaar eerder had Nijinski de gemoederen al flink opgeschud met L’Après-midi d’un faune. Geïnspireerd door afbeeldingen op Griekse vazen liet hij vrijwel het gehele ballet en profil dansen, maar het schokkendst was de vrijwel onverhulde seksuele inhoud: wellustige faun laat zijn begerig oog op een groep nimfen vallen en masturbeert op de sluier van één van hen.

Aangemoedigd door Diaghilev experimenteerde Nijinski met bewegingsstijlen. En hoewel zijn directe artistieke invloed beperkt is gebleven, maken zijn durf, vrijmoedigheid en vernieuwingsdrang tot op de dag van vandaag indruk. Zonder de revolutionaire werken van Nijinski zouden de Ballets Russes waarschijnlijk toch iets minder legendarisch zijn geworden.

Of Nijinski nog steeds de ultieme danslegende zou zijn als hem een lang en ook geestelijk gezond leven gegund was geweest, zullen we nooit weten. Na een allermerkwaardigst optreden tijdens een besloten voorstelling in het Zwitserse Sankt Moritz leek hij met de woorden „En nu is het kleine paardje moe” aan te geven dat hij genoeg had van de wereld. Het was 1919, de Eerste Wereldoorlog was nog maar net ten einde gekomen. Bij Nijinski, die nog 31 jaar zou leven, waren al enige jaren voordien de eerste symptomen van zijn ziekte gesignaleerd. Helemaal ondenkbaar is het dus niet dat zijn afschuw van het oorlogsgeweld en conflict in het algemeen de hypergevoelige man met zijn messiaanse waangedachten, deze verwarde liefdesprediker, tot de keuze hebben gebracht zich af te keren van de wereld. Maar met vrije wil had dat natuurlijk niets te maken.

    • Francine van der Wiel