Ik wil mijn excentriciteit niet verliezen

Hij heeft het syndroom van Asperger en was ooit psychiatrisch patiënt. Joris van Huijstee heeft weer balans gevonden. Hoe?

Joris van Huijstee eet elke dag hetzelfde. ’s Ochtends een boterham met chocolade, ’s middags twee met sandwichspread. ’s Avonds eet hij bami, met gehakt, en tomaat en in fijne blokjes gesneden komkommer. Daar drinkt hij dan een glas melk bij. Dag in dag uit, zonder uitzondering.

Van Huijstee (48) heeft asperger, en dit is één van de manieren die hij heeft gevonden om zijn leven rust te geven. Om niet nog eens uit de bocht te vliegen.

Het is twintig jaar geleden dat Van Huijstee wakker lag in het bed van een psychiatrische inrichting. Dat hij zijn angsten projecteerde op het plafond. Die alles verzengende angst, herinneringen aan een jeugdtrauma dat hij geen dag langer kon verdrukken. Van Huijstee zat in een zware psychose. Die gaat ‘r niet meer uitkomen, vreesden de artsen, en dat was ook precies waarvoor hijzelf bang was: een levenlang inrichtingen in en uit, een levenlang medicatie. Alles beter dan dat.

Maar nu zit hij hier. Op zijn eigen bank, in de huiskamer van zijn rommelige rijtjeswoning in Bussum – zonder medicatie. „Ik heb me twintig jaar uit de psychiatrische molen weten te houden”, vertelt hij. „En ik ben nooit meer depressief geweest.”

Hoe hij dat heeft gedaan, nog steeds doet, wil hij graag vertellen. Hij schrijft er boeken over, opinieartikelen, belt mediaredacties, waaronder herhaaldelijk nrc.next. Een tijdje terug had hij nog de cameraploeg van Man bijt hond over de vloer – bij het eten, bami met gehakt natuurlijk. Alles om zijn verhaal kwijt te kunnen.

Waarom dat zo belangrijk voor hem is? „Te snel worden in Nederland medicijnen voorgeschreven bij geestziekte”, vindt Van Huijstee. Hij heeft een zware stem, formuleert langzaam en precies. „Antidepressiva, antipsychotica. Veel mensen zijn erbij gebaat, maar soms kan het anders. Patiënten moeten vaker de keuze krijgen.”

Jarenlang misbruikt

Het was Koninginnedag, 1992. Van Huijstee was een joint aan het roken en werd plotseling overvallen door een joekel van een paniekaanval. Al sinds zijn tienerjaren gebruikte Van Huijstee drugs, dronk hij te veel. Waarom wist hij eigenlijk niet. „Ik zat in een emotionele stilstand”, zegt hij nu. „Mensen om mij heen stopten, na wat experimenteren, met al die dingen. Ik niet. Ik had een constante honger naar destructie. Ik bleef blowen, drinken, ecstasy gebruiken.”

Die dag, op zijn vierentwintigste, ging het mis. „Toen ik de volgende dag wakker werd, wist ik dat er iets anders was aan mij.”

In een psychose maakt je geest zich los van je lichaam, zegt Van Huijstee. Fantasie en realiteit worden vloeibare begrippen. „Je voelt je alleen en onbegrepen. Ik had het idee dat ik mijn verschroeide longen naar binnen gerookt had. Alsof ze in een binnenkamer van mijn geest zaten.” Dagen achtereen staarde hij naar het plafond. „Het was uitzichtloos.”

Als kind werd Van Huijstee jarenlang misbruikt, vertelt hij. Hij had het destijds aan niemand durven zeggen. „Ik was zes toen het begon. Mijn ouders waren gescheiden, en konden mij allebei niet hebben. Ik ging bij mijn oom en tante wonen.” Het was zijn neef, toen tiener, die hem, samen met een vriend, stelselmatig misbruikte. Zijn gezicht verraadt geen emotie als hij het vertelt.

„Als kind weet je niet goed dat zoiets verkeerd is”, zegt hij. „Toen ik elf was, kwamen mijn ouders weer bij elkaar en kon ik bij hen wonen.” Ergens in de korte periode daartussen vergat hij alles.

Niemand kwam het ooit te weten.

„Maar het verleden had een magnetische uitwerking op mij”, zegt hij. Aangewakkerd door zijn drugsgebruik vocht het trauma zich in de psychose met geweld naar zijn bewustzijn. „Het hele riedeltje: ik werd opgenomen, kreeg een bed, een dagprogramma, groepstherapie.”

Hij kreeg antipsychotica voorgeschreven. Die hielpen, maar slingerden Van Huijstee in een zware depressie. En daarvoor werd weer nieuwe medicatie voorgeschreven: antidepressiva. Zonder effect. „Ik kwam drie maanden lang mijn kamer niet uit.”

Syndroom van Asperger

Van Huijstee kan niet omgaan met geestmedicatie. Het is de vertroebeling, zegt hij, die hem opbreekt. „Geel was niet langer dezelfde kleur als daarvoor. Medicijnen geven een ander perspectief, alsof je het leven een fractie anders waarneemt.”

Er is een reden dat hij het daar zo moeilijk mee had, al kon hij die pas veel later plaatsen. Drie jaar terug kwam hij erachter dat hij het syndroom van Asperger heeft: een aan autisme verwante persoonlijkheidsstoornis die gepaard gaat met een enorm hoog IQ, bij Van Huijstee boven de 150. „Dan ga je enorm moeilijk om met aanpassing”, zegt hij.

Midden in die ellende deed Van Huijstee een ongebruikelijk voorstel aan zijn psychiater. Of die hem hormonen wilde voorschrijven: testosteron, een pillenkuur van drie weken. Daar had hij ooit iets over gelezen. „Later vernam ik dat het in de VS vrij gangbaar is hormonen tegen depressies te gebruiken. Ik wilde weer kunnen masturberen – ik dacht dat dat me misschien zou helpen.”

De hormonenkuur sloeg aan. Van Huijstee leefde op, ging na een maand met medepatiënten naar de pizzeria, kon binnen drie weken weer naar huis. Vanaf dat moment besloot hij alle doktersadviezen in de wind te slaan en nooit meer medicatie tegen geestziekte te nemen.

Dat heeft hij sindsdien ook niet meer gedaan. Moeilijk is het wel. Hij heeft z’n dagelijkse disciplines, die hem rust geven als tegenwicht voor zijn autistische stoornis. Zijn ritme heeft hij tot in de puntjes vastgelegd: „Opstaan om 7.45 uur, weer naar bed om 23.45 uur, de krant lezen, de loopband op, bridgen op internet, drie keer per dag hetzelfde eten op hetzelfde moment. Geen uitspattingen.”

Door zijn asperger ervaart hij dit niet als een gedisciplineerd leven. Hij mag verslappen en doet dat ook weleens, maar hij wordt dan onrustig en gaat snel terug naar zijn leefregels. „Mijn ritme is mijn anker, mijn beveiliging. Als ik één keer naar de kroeg zou gaan om 19.00 uur, dan zou ik dat elke dag om 19.00 uur weer kunnen gaan doen, zoals ik deed vóór de psychose.”

Een psychose, daar kom je niet zomaar vanaf, al helemaal niet zonder medicatie. Soms dient zich een waarschuwing aan. Naweeën, noemt Van Huijstee dat. Een gevoel waardoor hij weet dat hij op zijn tellen moet passen. „Dan voel ik dat ik instabiel ben.”

Acht boeken geschreven

Van Huijstee heeft er vrede mee dat hij nooit het leven zal kunnen leiden dat anderen hebben. Maar hij wil zijn leven wel betekenis geven. Daar is hij op gebrand, hij zegt het meermaals.

Dat is de reden waarom hij schrijft. Acht boeken tot nu toe, vooral detectives. Die geeft hij in eigen beheer uit. Zijn jongste werk is de autobiografische roman De buit. „Door medicijnen zou ik mijn excentriciteit kunnen verliezen”, zegt hij: „Mijn eigenheid. Dan zou ik dit niet meer kunnen doen.”

Mét medicatie zou hij waarschijnlijk een comfortabeler leven hebben, zegt Van Huijstee. „Ik was bang voor het indolente wat chemische medicatie kan geven.” Dan zou hij zich in ieder geval prettiger voelen. „Leven zonder medicatie is de zwaardere weg. Maar dan was ik niet mezelf geweest zoals ik mezelf ken”, zegt hij. „Ik ben liever helder voor mezelf en vaag voor anderen, dan andersom.”

    • Thomas Rueb