‘Hamlet’ biedt taalgenot en klinisch drama

Het is een klein jongetje, deze Hamlet, zoals hij met een mes zijn moeder dreigt. Schouders opgetrokken, arm strak uitgestoken. Hij méént het, echt! Maar dat mes is hem veel te groot – een jochie met een speelgoedzwaard. Abke Haring speelt Hamlet zoals bewerker Tom Lanoye en regisseur Guy Cassiers voor zich zagen, als een nauwelijks volgroeide adolescent. Een kind, worstelend met emoties en belangen die zijn pet ver te boven gaan. Haring kan het mooi hulpeloos en verward spelen, met een vragende blik, een onhandig gebaar. Dat zijn roerende momenten.

Het is Shakespeares stuk der stukken Hamlet (1602), over de Deense prins die zijn vader vermoord ziet worden door zijn oom Claudius, maar niet tot wraak kan komen en verzuipt in twijfel, met fatale gevolgen voor iedereen. Lanoye bewerkte het voor Hamlet vs Hamlet zeer vrijpostig. Hij schrapte een aantal taaie beschouwingen en flink wat personages. Sommige rollen maakte hij sterker, zoals die van Laërtes (Eelco Smits), die hier in woord en daad Hamlets tegenstrever wordt. Staat de dromerige Hamlet voor inertie, dan vertegenwoordigt de verbeten Laërtes de daad. Schrijver en regisseur gaven een belangrijker rol aan de overleden nar Yorick, die in de gedaante van Katelijne Damen enigszins verloren over het toneel dwaalt. Aan het slot is flink gemorreld – op een manier die menig toneelpurist de wenkbrauwen zal doen fronsen. Maar de ijzingwekkende uitkomst – iedereen dood – bleef hetzelfde.

De taal van Lanoye is een genot. Hij schreef scheutige jamben, even mollig als gespierd. Gebeeldhouwde zinnen, stevig en toch mals, afhankelijk van wie ze uitspreekt. Zulke taal is een beproeving voor acteurs, en de onderlinge verschillen zijn groot. Johan van Assche (Claudius) laat de jamben soepel en terloops van zijn lippen rollen, zo onnadrukkelijk dat het spreektaal lijkt, maar die tegelijk ver overstijgt. Perfect. Ook Marc van Eeghem (Rosenkrantz) en Kevin Janssens (Guildenstern) vinden ruimte en transparantie in de taal. In een hilarische dubbelrol van twee doodgravers maken ze er sappig plat Vlaams van. Bij anderen, zoals Damen of Chris Nietvelt (Gertrude) blijft de taal statig en statisch.

Ook Haring bijt zich er soms op stuk. Zij heeft een mooie tekstbehandeling, waarin elke klinker nadruk krijgt, maar spreekt vaak zo perfect en plechtig dat het artificieel voelt en afstand schept. We zien een actrice die volmaakt declameert, in plaats van een wanhopende puber. Haar enigmatische uitstraling zit bovendien de emotionele uitbarstingen in de weg. Behalve dus als ze even dat kwetsbare jongetje speelt.

Überhaupt blijft het drama in de regie van Cassiers op – te – grote afstand. Tegenover de smakelijke taal van Lanoye stelt hij een mooi maar klinisch universum. In een labyrint van vitrages, die soms als videoschermen dienen, bewegen de spelers zich voort over platen van glas, met een rottend fundament van afval en onkruid eronder. Ze spreken moedwillig traag en zacht, met slechts een enkele, zeer welkome, eruptie. Nadat het toneelstuk-op-toneel – hier een komisch stukje poppenkast – Claudius’ schuld aan de dood van Hamlets vader heeft aangetoond, eindigt het deel voor de pauze met een spannende, aanzwellende monoloog op opzwepende muziek, waarin Hamlet zichzelf oppompt voor de wraak.

Dat kippenvelmoment wordt na de pauze niet geëvenaard – al maakt Eelco Smits wel een monumentje van Laërtes, gedecideerd en berustend in zijn daadkracht, maar met zichtbaar ingehouden pijn.

Het zijn lichtpuntjes in een esthetische, ingetogen voorstelling die wel imponeert, maar te weinig werkelijk raakt.

    • Herien Wensink