De bezoeker maakt het kunstwerk

De Duitse kunstenaar Franz Erhard Walther maakt kunst die pas tot leven komt als je ermee speelt. Op zijn expositie in het Brusselse museum Wiels is de bezoeker deel van het kunstwerk.

Franz Erhard Walther, Lager der Probenähungen, sinds 1969Wortbild TEMPO, 1958Weste, 1965 Foto Helmut Claus

‘Wat is nu eigenlijk het kunstwerk?” Om die vraag draait het in het oeuvre van de 75-jarige Duitse kunstenaar Franz Erhard Walther, nu te zien in het Brusselse museum Wiels. Kun je zijn werk een sculptuur of een performance noemen, een happening, of is het conceptuele kunst? Niets van dit alles. „Er is een nieuwe term nodig voor wat ik doe”, schreef Walther in 1967 in een brief aan zijn vriend, de schilder Jörg Immendorff.

Walther wilde loskomen van alle bestaande artistieke kaders. Hij wilde een vorm van kunst ontwikkelen die steeds opnieuw die vraag opwerpt: wat is nu eigenlijk het kunstwerk?

Zijn objecten schrijven de beschouwer een beweging voor, een handeling die een bepaalde richting heeft, een volgorde, een ritme. Het is de bedoeling dat de beschouwer iets met zijn objecten doet. ‘Werkhandlungen’ noemt Walther die verrichtingen. In 1968 publiceerde Walther een manifest getiteld OBJEKTE, benutzen, waarin hij stelt dat kunstwerken objecten zijn die gebruikt moeten worden. Bijvoorbeeld zoals dat gebeurt bij de Standstellen, houten hokjes waar de bezoeker in kan gaan staan. Op dat moment vormen de bezoeker en de getimmerde constructie samen het werk.

Tijdens mijn bezoek aan Walthers tentoonstelling lagen twee mensen naast elkaar in een soort witte lakenzak op een mat op de grond, met de hoofden in tegengestelde richting. Zij waren bezig een Werkhandlung te verrichten. Een zwart-witfoto van deze ‘werkactie’ aan de muur gaf het voorbeeld. Na verloop van tijd stonden ze op, vouwden de grote katoenen lap in een precieze volgorde weer op en legden die aan de rand van de mat. Daar lagen verschillende bundels van gewatteerde en geplisseerde stukken stof, klaar om gebruikt te worden voor uiteenlopende verrichtingen. Ze vormen samen één werk, getiteld 1. Werksatz, Eerste Werkreeks (1963-1969).

De Plek om te Staan

Het werk van Walther gaat om de ervaring van een ‘sculpturale situatie’. De fysieke beweging van de beschouwer die een werkactie van Walther uitvoert, is een sculpturale uiting. Het lichaam van de beschouwer bepaalt letterlijk het werk. Zoals in Walthers lexicon staat bij ‘sculptuur’: „Sculptuur is een appèl aan het bewustzijn. Staand op de plek om te staan kan men een begrip van sculptuur ontwikkelen of zichzelf ervaren als sculptuur.” Een Standstelle zonder iemand erin is incompleet.

Zo bezien bestaat zijn oeuvre uit fragmenten, uit objecten in ruste. Als een object geactiveerd of gebruikt wordt, is het werk er heel even. Dit probleem van het fragmentarische beschouwt Walther als onoplosbaar. Het is de reden dat hij boven alles houdt van de late aquarellen van Cézanne, vertelt hij in een interview in tijdschrift Metropolis M. Cézannes ijle, fragmentarische, ‘onvoltooide’ beelden op papier van stillevens met fruit zijn niet-aflatende pogingen om de sensatie van een vluchtig moment vast te leggen.

In 1962, toen hij nog kunststudent was – eerst aan de Städelschule in Frankfurt, vanaf 1963 aan de academie in Düsseldorf – maakte Walther zijn eerste Papierwerken, door middel van het kreukelen, vouwen, scheuren, lijmen en plakken van papier. Grosse Papierbeit, 16 Lufteinschlüsse bestaat uit een reeks dubbele, aan de randen op elkaar geplakte witte vellen papier waar hij met een rietje lucht tussen blies zodat er kreukelige platte kussens ontstonden.

Tijdens een bezoek in 1963 aan de Wiener Hofschneiderei, de kleermakerij van de vader van Johanna, Walthers vriendin en later zijn vrouw, zag hij iets wat de ontwikkeling van zijn werk zou bepalen. In de kleermakerij werden kleine, glanzende kussentjes gebruikt voor het strijken en vormen van de kop van mouwen. Die kussenvorm met platte naden was wat hij zocht. Vanaf dat moment, tot op de dag van vandaag, zou Johanna Walthers ontwerpen voor textielobjecten in elkaar zetten en naaien.

De eerste zaal van de tentoonstelling in Wiels is ingericht als het Lager der Probenähungen. Hier ligt de hele voorraad van kleurige genaaide proefstukken, sinds 1969 door Johanna bewaard, op de grond. Een groot okergeel werkpak, rode platte tassen met riempjes, allerhande zitkussens, een heel grote rode en een blauwe jurk – alles keurig gevouwen en uitgestald als een samenhangend ensemble, een Gestalt zoals Walther zegt. Het is duidelijk dat dit dingen zijn waar je iets mee moet aanvangen en je probeert je voor te stellen wat en hoe.

De werkpakken en jurken, en een met schuimrubber gevuld, mouwloos vest dat eruitziet als een stootkussen, zijn niet zozeer kledingstukken, maar eerder objecten om jezelf mee in te pakken, te beschermen. Dit element van zelfbescherming, gecombineerd met de sfeer van aanpakken, van werken, van no-nonsense, doet eraan denken dat Walther als klein jongetje de oorlog heeft meegemaakt en is opgegroeid in de periode van de Wederopbouw. Walther zei in een interview dat de menselijke maat, ‘de juiste proportie’, voor hem vooral een morele betekenis heeft.

Nieuw Alfabet

Alles is letterlijk bij Walther. Nergens symbolen, metaforen of fantasie. Die letterlijkheid zit ook in de manier waarop hij, kennelijk met groot plezier, omgaat met de taal. Wat is in vredesnaam een Stirnstück? Oh, natuurlijk, een kussen waarmee je je hoofd tegen de muur kan laten rusten. Een Handlungsstück is een ding waar je iets mee moet doen, een Gehstück Sockel is een ding waar je overheen loopt en dat dan een sokkel is, een Handlungsbahn is een baan waar je overheen loopt. Hij maakte ook een Nieuw Alfabet, bestaande uit reusachtige stoffen vormen die letters zijn, liggend op de vloer of hangend aan de wand.

Wat betreft hun uiterlijk roepen de objecten van Walther associaties op met minimal art, van met name Donald Judd en Robert Morris. Maar de manier waarop hij de beschouwer handelingen laat uitvoeren heeft niets met minimal art te maken. Het meest recente werk ligt op de vierde verdieping van Wiels, een serie oranje met schuimrubber gevulde vormen met ronde, organische contouren, Körperformen waar je jezelf zo te zien tegenaan zou kunnen nestelen. Het is erg jammer, en ook gezien de opvattingen van Walther onbegrijpelijk, dat er witte lijnen omheen zijn getrokken met de woorden ‘Please do not touch’.

    • Janneke Wesseling