Dancefeest in museum is stap te ver

Willem Bijleveld maakt een opmerkelijke overstap: van het Scheepvaartmuseum naar het Openluchtmuseum. Een gesprek over de grenzen van cultureel ondernemen.

Willem Bijleveld in het Scheepvaartmuseum: „Met een museum kan vaak veel meer dan de organistie denkt.” Foto Roger Cremers

Doorsudderen tot zijn pensioen, Willem Bijleveld had het makkelijk kunnen doen. ‘Zijn’ Scheepvaartmuseum is succesvol verbouwd en eind 2011 heropend. De basis om het verder uit te bouwen ligt er, waarom zou hij dat niet zelf doen?

Maar de 61-jarige Bijleveld gaat nog een nieuwe klus aan. Per 1 mei wordt hij directeur van het Openluchtmuseum in Arnhem. Het museum dat samen met het Rijksmuseum de formule voor het Nationaal Historisch Museum moet uitwerken en dat een opfrisbeurt kan gebruiken.

In zijn kamer op de kantoortuinzolder van het Scheepvaartmuseum maakt Bijleveld duidelijk hoe hij aankijkt tegen het directeursschap van musea. Van valse bescheidenheid heeft hij geen last. De astronoom is trots dat hij Monumentenzorg en welstandscommissies in Amsterdam heeft kunnen overtuigen dat een glazen overkapping van de binnenplaats, met het lijnenspel van een maritieme kaart, het monumentale gebouw geen geweld zou aandoen. „Zowel uit andere gemeenten als uit andere landen zijn bestuurders komen kijken. Ik weet dat de overkapping van het Gemeentemuseum in Den Haag soepeler is gelopen door ons.”

Het binnenplein is door de overkapping in trek als partycentrum. Dat Open Pleyn wordt zo’n vijftig keer per jaar verhuurd voor evenementen. Ook door toegenomen sponsoring, het Compagnie Fonds van donateurs en de Vriendenvloot zijn de eigen inkomsten sinds de heropening toegenomen tot 51 procent.

Bijleveld betoogt graag dat hij een nieuw model voor historische musea heeft neergezet door verhalen over onder meer de Gouden Eeuw en over de walvisjacht te vertellen met hulp van audiovisuele attracties. „In de wereld van de maritieme musea zijn wij in één klap hét voorbeeld geworden.”

De bezoekersaantallen spreken in zijn voordeel. In het eerste volle jaar na heropening trok het museum 467.000 bezoekers, na de openingshausse zakte het terug naar 330.000 in 2013. Nog altijd veel meer dan de 180.000 bezoekers die het museum trok voor de verbouwing.

Maar de harde kern van scheepsfanaten klaagt. Ook deze maandag staan bij de informatiebalie twee bezoekers te mopperen dat er zo weinig schepen te zien zijn.

Vreest u niet de geschiedenis in te gaan als de directeur die de scheepsmodellen uit het Scheepvaartmuseum verbande?

„Nee, want het klopt feitelijk niet. We hebben nu 950 objecten in het museum, evenveel als voor de verbouwing. Er zijn zelfs meer scheepsmodellen te zien. Zo hebben we een vitrine met 80 plezierjachten, terwijl we er vroeger tien lieten zien. Vroeger waren wij het museum voor de liefhebber, waar het verhaal dat zij al zo goed kenden geïllustreerd werd. Dat hebben we overboord gegooid. We werken nu met hoofdstukken en deelcollecties. Dus zie je in één klap onze topcollectie navigatie-instrumenten. En hebben we tachtig globes net vervangen door veertig atlassen uit ons depot. In een periode van tien jaar tonen we met dit dynamisch model waarin stukken rouleren juist meer uit onze collectie. Ik moet dus de geschiedenis ingaan als de directeur die de hele collectie liet zien.”

Verhalen vertellen, is dat de weg die musea op moeten gaan?

„Historische musea wel. Er is een groot verschil met kunstmusea. Het verhaal van het Melkmeisje van Vermeer hoef je niet meer te vertellen. De bezoekers komen ervoor en vallen ervoor flauw. In een museum met historische objecten moet je vertellen hoe die zijn gebruikt, in welke tijd en wat de context was. In onze attractie De Zeereis ligt aan het eind een onooglijk dekentje. Als het hier op tafel zou liggen, zou je het weggooien.

„Maar er zit een verhaal achter dat teruggaat tot 1916, toen een Nederlands passagierschip getorpedeerd werd. Als een van de laatsten werd een meisje gered. Dit is het dekentje dat ze omgeslagen kreeg in de reddingssloep. Die reis maak je mee in die attractie. En dan hangt dit dekentje aan het eind. Wij positioneren ons via emoties, zoals elke goede marketeer dat zou doen.”

Moet je attracties steeds vernieuwen, zoals in een pretpark?

„Nee, een attractie zoals De Zeereis moet vijftien jaar mee kunnen. In een pretpark gaat het om de thrill en is steeds vernieuwing nodig. Bij ons moet je alleen de collectie vernieuwen, niet de attractie. Dat bewijst ook ons VOC-schip. Dat ligt hier al sinds 1991 en is jaarlijks nog altijd goed voor 100.000 bezoekers.”

Heeft de zakelijke koers het museum niet sterk veranderd?

„We zijn geen simpel historisch museum meer. Maar we hebben geen concessies gedaan. Mensen laten genieten van een historische omgeving als ze een receptie hebben, daar doe je jezelf niet tekort mee.”

Bij een dancefeest in het museum werd in 2012 een bezoeker doodgeschoten.

„We zijn aan het pionieren als ondernemer. Het leek een fijne markt: je verhuurt de binnenplaats en sluit het museum hermetisch af. Uiteindelijk hebben we maar vier dancefeesten gehad. Het was een stap te ver. Ons criterium werd daarna simpel: we halen een evenement alleen in huis als de beveiliging niet stringenter hoeft te zijn dan van het museum. Achteraf gezien hadden we dat natuurlijk eerder moeten bedenken. Het is voor de hele culturele sector in Amsterdam een les geweest. Ik heb heel wat collega’s aan de lijn gehad die wilden weten wat er was gebeurd.”

Welke lessen neemt u mee naar het Openluchtmuseum?

„Dat met een museum vaak veel meer kan dan de organisatie denkt. Het Openluchtmuseum moet goed nadenken over zijn toekomst. Ik heb de afgelopen maanden een paar keer als argeloze toerist meegelopen met een rondleiding. Dan zie je hoe bezoekers teruggeplaatst worden in het Nederland van vijftig jaar geleden. Dat is prachtig, maar dan moet je nu dus bedenken wat dat over vijftig jaar betekent. Het besef moet er zijn dat de Nederlander niet meer op het platteland leeft maar in een stedelijke omgeving. Waarom zou je niet een rijtje vinexwoningen neerzetten?”

Hoe zit het met de opdracht om samen met het Rijksmuseum het Nationaal Historisch Museum vorm te geven?

„Daar moeten nog knopen doorgehakt worden. De twee musea kunnen niet samen het hele verhaal vertellen. Alleen met een netwerk van musea kun je aan alle vijftig vensters van de Canon van Nederland invulling geven. Neem het eerste canonvenster over de hunebedden. Je gaat geen hunebed naar de tuin van het Rijksmuseum of naar het Openluchtmuseum halen. Dat canonvenster moet je samen met en in het hunebeddenmuseum in Borger laten zien.

„Dat idee hebben is vijftien jaar geleden al ontwikkeld met de toenmalig directeur van het Openluchtmuseum Jan Vaessen. Wij wilden met zeven rijksmusea die zich met historie bezighouden de krachten te bundelen voor een nationaal historisch museum. Dat vonden wij een efficiënt plan, maar het haalde het niet. De tijd is er nu weer rijp voor.”

    • Daan van Lent