Bordjesoorlog

Wat bespreken 140 conservatoren Nederlandse schilderkunst? Deze week kwamen ze, verenigd in Codart, in Amsterdam bijeen om te praten over het „presenteren van onze collecties: idealen, ideeën en praktijk”. Geen thema dat veel richting geeft. Gelukkig was er een concreet onderwerp waarover iedereen graag wilde spreken: het tekstbordje. Welke informatie geeft het museum een bezoeker en, belangrijk, wie heeft het laatste woord: de educatieve dienst, een ingehuurd tekstbureau, of de conservator?

James Bradburne, directeur van het Palazzo Strozzi in Florence, stond aan het ene uiterste: „Laat conservatoren nóóit de tekstbordjes schrijven.” Na een bevlogen verhaal van Jane Turner, hoofd Prentenkabinet van het Rijks, nuanceerde hij die opmerking. Een overwinning voor Turner. Zij kreeg de zaal achter zich met een bevlogen verhaal over haar strijd tegen de „text police”, zoals ze het door het Rijks ingehuurde bureau noemde. Ze gaf enkele stuitende voorbeelden van simplificering bij het opstellen van de 3.000 nieuwe tekstbordjes van het Rijks. Directeur Wim Pijbes verbood „kunsthistorische rimram”. Daardoor aangemoedigd ging de tekstpolitie veel verder. Niets wat enige inhoud gaf mocht nog. Zo verbood het bureau het gebruik van „de jonge”, of „the younger”. Dus geen Willem van de Velde de jonge meer. Of de oude. Bezoekers begrijpen het verschil toch niet. „Onzin”, aldus Turner, die haar woede opnieuw leek te voelen. „Mensen begrijpen toch ook het verschil tussen Bush senior en Bush junior? En zij die dat verschil níét begrijpen, komen toch niet in een museum.”

Daarmee raakte ze aan de kern van de discussie onder de tekstbordjes: hoe toegankelijk moet een museum proberen te zijn? Turner vertelde zelfverzekerd wat talloze conservatoren de laatste tien jaar beginnen te bevroeden: je kunt doorslaan. Wie te diep door de knieën gaat, bedient mensen die toch niet zijn geïnteresseerd.

Turners verhaal kende overigens een goede afloop: conservatoren mochten alsnog de teksten corrigeren. Turner: „De pendule slaat weer meer onze kant op.” Onze kant, dat zijn de conservatoren, de kenners. Het applaus was luid.

    • Pieter van Os