Bidden in de blauwe moskee

Schrijver Arnon Grunberg reist terug

naar Afghanistan. Deze keer niet met het leger, maar met een vriend, Qader Shafiq. Deel 3 van een serie van 4.

De luchthaven van Mazar-i-Sharif, de vierde stad van Afghanistan, niet ver van de grens met Oezbekistan, is gloednieuw. Een plakkaat geeft aan dat de luchthaven is gebouwd met financiële steun van Duitsland en de Arabische Emiraten.

Er is te veel ruimte voor te weinig passagiers. Een Duitse militair die langsloopt zegt „Grüss Gott” alsof we eigenlijk in München zijn.

Op de korte vlucht van Kabul naar Mazar-i-Sharif heeft mijn gids en vriend Qader contact gelegd met een Russische diplomaat. Qader spreekt vier talen vloeiend, Nederlands, Dari, Pashtu en Russisch, en hij spreekt mensen aan alsof het zijn werk is. „Ik ben niet bedreigend voor mensen”, zegt hij, „en jij ook niet.”

De Russische diplomaat wil ons een lift geven naar de stad. Terwijl we wachten op zijn chauffeur hoort een man in de aankomsthal ons Nederlands spreken. Hij komt naar ons toe, vertelt dat hij lang asielzoeker was in Nederland, maar geen status kreeg en dat hij nu hoofd is van de veiligheidsdienst in Mazar-i-Sharif.

Hij loopt in burger, westerse kleding, trui, broek, colbertje, zijn blik zou extreem oplettend maar ook angstig kunnen zijn. Hij zegt dat hij Hashem heet en ons naar de stad zal brengen. In plaats van met de Russische diplomaat en zijn chauffeur besluiten we met Hashem mee te gaan.

In een auto van de Afghaanse politie rijdt Hashem ons naar de stad. Hij kent een goed hotel niet ver van het centrum. In The New York Times had ik een artikel gelezen over bloeiende prostitutie in Mazar-i-Sharif, maar daar weet het hoofd van de veiligheidsdienst niets van.

Nachtleven van Mazar-i-Sharif

Hashem breng ons naar het Samir Walid Guesthouse, dat de indruk wekt een appartementencomplex te zijn. Een kamer op de begane grond waar een familie zich rond een kachel heeft geschaard doet dienst als receptie.

„Dit zijn Oezbeken”, zegt Qader.

Een jongetje van een jaar of tien laat ons de kamers zien, waar het ijskoud is, maar men belooft ons dat er kachels op de kamer zullen worden gezet. Beneden wacht Hashem nog altijd op ons, de man die naar eigen zeggen zo blij was eindelijk weer eens Nederlands te kunnen spreken, maar die voornamelijk Dari spreekt met af en toe wat Engelse zinnen ertussendoor.

„Vraag hem”, zeg ik tegen Qader, „of we vanavond onder zijn deskundige leiding het nachtleven van Mazar-i-Sharif kunnen verkennen.” Hashem belooft ons dat hij ons ’s avonds zal komen ophalen. „Wat een behulpzame man”, zeg ik tegen Qader als Hashem weg is. „Ik denk dat hij vooral wilde weten wie we zijn”, antwoordt Qader.

We rijden naar de belangrijkste attractie van Mazar-i-Sharif, de blauwe moskee, waar Ali, de neef van Mohammed, ligt begraven; de meeste shi’ieten geloven dat Ali in Najaf, Irak, begraven is, maar sommige Afghaanse shi’ieten zijn net als de sunnieten van mening dat hij in Mazar-i-Sharif begraven is. Een enorme hoeveelheid witte duiven heeft zich verzameld rondom de blauwe moskee, alsof die moskee hun huis is. Bij de ingang zitten mannen die tegen betaling gebeden opzeggen, bijvoorbeeld voor zieken. Qader en ik bidden zelf, zonder tussenkomst van derden. We zijn allebei niet-gelovig, maar je hoeft niet gelovig te zijn om te bidden. De ongelovige bidt zoals de gokker gokt: in afwachting van de ondergang, maar vergiftigd met de absurde hoop dat die ondergang kan worden bezworen. Qader had gezegd dat hij een Nederlander is in Nederland maar in Afghanistan steeds Afghaanser zou worden. Ook ik word steeds Afghaanser.

In de namiddag gaan we naar Balkh, een van de oudste steden ter wereld, centrum van het zoroastrisme. Onze taxichauffeur heet Hussein, hij heeft tien jaar in Teheran gewerkt omdat er geen werk was in Afghanistan. Hij zegt zich te schamen voor de chaos van het Afghaanse verkeer, in Iran was alles veel beter geregeld. De avond ervoor zijn de belangrijkste voetbalprijzen uitgereikt en Hussein vertelt dat hij moest huilen omdat niet alleen Ronaldo een prijs kreeg maar ook Afghanistan, voor fair play.

Hussein heeft geprobeerd het Westen te bereiken. Hij had een mensensmokkelaar 25.000 dollar betaald, maar die mensensmokkelaar heeft hem bijna laten verzuipen ergens tussen Turkije en Griekenland. Nu is hij weer in Mazar-i-Sharif, getrouwd met de vrouw van zijn broer, want zijn broer is overleden. „Je moet voor een vrouw zorgen”, zegt Hussein, „je hoort haar bevrediging te geven.”

Balkh is niet zo bruisend als Mazar-i-Sharif. Bij een parkeerplaats, althans wat voor een parkeerplaats doorgaat, zit een kwijlende jongen op de grond. Hij gooit het geld dat we hem geven weg. „De eerste Afghaan die geld weggooit”, zegt Qader. „Meestal doen bedelaars alsof ze ziek zijn, maar deze is echt ziek.” We hebben geluk. Vandaag wordt in Balkh op een zanderig veld tussen twee heuvels, niet ver buiten de stad, het spel buzkashi gespeeld. Twee teams te paard proberen een onthoofde geit te pakken te krijgen. Een soort polo dus, maar dan met een geit in plaats van een bal. Soms vallen er doden bij het spel.

Het is moeilijk uit te maken wie bij welk team hoort. Het lijkt meer alsof de ruiters het principe hanteren van allen tegen allen.

Na een tijd zegt Qader: „Laten we gaan, er wordt naar ons gekeken.”

Later in Kabul zullen we van vrienden van Qader te horen krijgen dat we nooit naar Balkh hadden moeten gaan omdat het daar wemelt van de Talibaan. Qader zegt: „Als er iets gebeurt word ik meteen onthoofd als verrader en jij wordt verhandeld, dus feitelijk ben je er beter aan toe dan ik.” „Daar zit wat in”, zeg ik. Hashem toont ons die avond niet het nachtleven van Mazar-i-Sharif, omdat het nachtleven volgens hem niet bestaat, maar hij brengt ons naar een restaurant waar we tot mijn verbazing ook een Amerikaanse familie tegenkomen. „Van 2000 tot 2007 was ik in Nederland”, zegt Hashem. „Ik kreeg geen status, omdat ik 1F was.”

Geen asiel

Afghanen die als officier of onderofficier voor de Afghaanse geheime dienst KHAD, later genoemd WAD, hebben gewerkt tussen de inval van de Russen en de komst van de Talibaan, kunnen geen asiel krijgen omdat ze collectief worden verdacht van oorlogsmisdaden. „Maar ik werd ook niet uitgezet”, zegt Hashem, „psychisch was ik er steeds slechter aan toe, op een gegeven moment ben ik zelf teruggegaan naar Afghanistan. Ik heb geld geleend en smeergeld betaald, zo kon ik weer voor de veiligheidsdienst werken. Ik heb eerst in Kabul gewerkt en nu hier in Mazar-i-Sharif.”

Hij blijkt niet het hoofd van de veiligheidsdienst in Mazar-i-Sahrif te zijn, maar hij is verantwoordelijk voor de beveiliging van het vliegveld. Hashem blijkt ook slechts een bijnaam of pseudoniem te zijn.

„Het wordt hier steeds erger”, zegt Hashem, maar als ik hem vraag in details te treden vlucht hij in algemeenheden. In Kabul heeft hij een vrouw en drie kinderen. „Ik zou wel weg willen”, zegt hij. „Maar ik kan niet weg.”

Hashem kijkt als iemand die ieder moment de dood verwacht. „Zolang de huidige machthebbers hier aan de macht zijn komt het nooit goed”, zegt Hashem, „ze zijn niet blij met mensen zoals ik.”

    • Arnon Grunberg