Uitslag kan coalitie juist stabieler maken

Alleen als PvdA’ers hoofd niet koel houden, heeft Rutte II een probleem.

D66-leider Pechtold in Utrecht. Foto ANP

D66 als grote winnaar van de eerste selfieverkiezingen: kiezers die hun individuele beleving in het stemhokje vieren met een eigen egofotootje. En vervolgens een politiek landschap achterlaten dat in steeds kleinere percelen uiteenvalt. Zoek het verder maar uit met je bestuur.

Het is de paradox van de gemeenteraadsverkiezingen van gisteren: de uitslag vormt, omgezet in een landelijk beeld, een nieuwe illustratie van het feit dat de geheel geïndividualiseerde burger steeds minder noodzaak voelt voor stabiele nationale verhoudingen.

Na gisteren zijn er vier nationale partijen (CDA, D66, VVD, PvdA) die tussen de 10 en 15 procent van het electoraat vertegenwoordigen. Tel ze bij elkaar op en je hebt geen Kamermeerderheid.

Meer dan 50 procent van de stemmen ging woensdag naar een collage van lokale partijen, protestpartijen, ouderenpartijen, nationalisten en dierenactivisten.

Het beeld is zo verbrokkeld, dat het voor de huidige coalitie ook voordelen kan hebben. Nu behalve de PvdA ook de VVD een klap kreeg, zal geen van beide coalitieleiders ook maar de minste behoefte hebben hun samenwerking op te geven.

Hetzelfde geldt voor de constructieve oppositie (D66, ChristenUnie, SGP), die electoraal alleen maar profiteert van haar halve meeregeren.

Dus de coalitie komt alleen in gevaar wanneer te veel PvdA’ers, geconfronteerd met zwaar verlies in bijna alle grote steden, de komende uren en dagen het hoofd niet koel weten te houden.

De PvdA heeft een lange traditie van zelfverwonding en enig zelfonderzoek zou na gisteren misschien ook op zijn plaats zijn, dus alles is mogelijk.

Maar mochten PvdA-leider Diederik Samsom en voorzitter Hans Spekman erin slagen de troepen bijeen te houden, dan kan deze uitslag zelfs de geschiedenis ingaan als stabilisator van de coalitie: een val van Rutte II zou voor alle vijf betrokken partijen onfortuinlijk zijn. En voor PvdA en VVD ronduit dramatisch.

De pechvogel van gisteravond was intussen het CDA. De beeldbepalende peiling van Ipsos, in opdracht van de NOS, schatte de partij halverwege de avond veel te laag in, zodat nagenoeg onzichtbaar bleef dat de christen-democraten een verrassend goede uitslag boekten: het CDA werd gisteren de grootste nationale partij.

Die uitslag was bijna even goed als in 2010 en nagenoeg een verdubbeling ten opzichte van het zwakke resultaat bij de Kamerverkiezingen van 2012: de terugkeer waar Buma al tijden op hoopt.

Nog een mooie paradox: behalve de constructieve oppositie werd gisteren dus ook de echte oppositie beloond. Zie ook het resultaat van de SP – al had Roemer het keepersgeluk dat zijn partij in 2010 onder voorganger Agnes Kant een wel erg beroerde uitslag haalde.

Tegelijk maakt de electorale terugkeer van de SP het leven van Samsom alleen maar ingewikkelder. In feite had de PvdA het afgelopen anderhalf jaar niets te duchten van de SP – ook dat is na gisteren voorbij.

En waar het CDA gisteren ernstig werd benadeeld door het onderzoek van Ipsos, daar mocht de PVV van Wilders in de handen knijpen.

Wilders was zo slim al te reageren nog voordat de uitslagen in Den Haag en Almere, de enige twee gemeenten waar hij meedeed, bekend waren. Daarmee kon hij doen alsof de landelijke peiling van Ipsos, die zijn partij op 25 landelijke zetels plaatste, de maat der dingen was.

Maar gaandeweg de avond bleek dat zijn partij het noch in Den Haag, noch in Almere erg goed had gedaan. In Almere bleef hij de grootste – met een lager percentage van de stemmen dan in 2010. In Den Haag moest hij D66 voor laten gaan en verloor hij een zetel.

Het laat onverlet dat de constructieve oppositie de grote winnaar van de avond was. SGP en CU profiteerden daarbij natuurlijk van de lage opkomst, die de loyaliteit van hun aanhang accentueert.

Ook wat dat betreft sprong D66 eruit: de partij die al bijna vijftig jaar lijdt onder supporters die vlak voor de verkiezingen afhaken, wurmde zich deze keer tussen de traditionele partijen, door zich in de grote steden op te werpen als alternatief voor de PvdA. Daarmee was de partij, in het verleden veelvuldig vermalen door een links-rechtse stembusstrijd, ineens een machtsalternatief.

Bij Pechtold speelt mogelijk ook dat zijn wijze van politieke presentatie beter aansluit bij de geïndividualiseerde tijdgeest. Coalitiepolitiek vergt dat partijen ten koste van de eigen geloofwaardigheid gezamenlijkheid van opvattingen construeren. En alle onderzoeken tonen aan dat kiezers het gehad hebben met dat soort gefabriceerd gedrag. Door een combinatie van gogme en toeval belandde Pechtold vorig najaar in de situatie dat hij zijn loyaliteit aan het kabinet kan afwisselen met soms snijdende kritiek. Het levert een selfie in 3D op – een politicus die meer is dan een setje verplichte coalitieopvattingen. Gisteren werd duidelijk dat de moderne kiezer erg gesteld is op dit type gelaagdheid.

    • Tom-Jan Meeus